Madagaskar

Heenreis

Antananarivo

Antsirabe

Ambositra

Ranomafana

Ambalavao

Andringitra

Anja Park

Isalo

Ifaty

Perinet

Diego Suarez

Amber Mountains

Ankarana

Nosy Be

Terugreis


Foto's van deze reis

Woensdag 14 september

Madagaskar, here we come!

Om 3.15 uur gaat de wekker. Nu bijna iedereen terug is van vakantie, is het de beurt aan ons. Vandaag vliegen wij naar Madagaskar en we hebben er zin in, niet in de reis zelf uiteraard, maar in de vakantie naar het met 587.040 km2 vierde grootste eiland ter wereld, met een inwoneraantal van 16 miljoen en zeer bijzondere planten en dieren (veel over gehoord, veel over gelezen). We checken voor de zoveelste keer de paspoorten en het geld, takelen ons in onze wandelschoenen en zijn klaar voor vertrek als de Touran voorrijdt. Ook deze keer worden we weer weggebracht door Guido en Jeanne. Ron rijdt, zodat Guido nog een beetje kan uitrusten voor de terugreis.

Rond de klok van 5 komen we aan op Schiphol. De Deli France is al open. We hebben nog krap de tijd voor een kopje thee, dat nog nabrandt in onze keel als we naar de KLM-balie lopen. De Sawadee-ticketsman hebben we al eerder gezien. We zijn te vroeg, de balie waar de tickets van Parijs naar Madagaskar opgehaald moeten worden, is nog gesloten en gaat “pas” om 6 uur open. Nog even wachten dus. We krijgen geen e-ticket, maar een “ouderwets” papieren geval en mogen in de lange rij aansluiten. De baliemedewerkster ziet eruit alsof ze elk moment kan gaan huilen en tegen de tijd dat we weggaan – zo’n half uurtje later – is dat er niet veel beter op geworden. En dat alleen maar omdat we naar de vlucht naar Antananarivo (wie verzint zo’n naam?) graag naast elkaar willen zitten. Ondertussen komt er nog een boze collega verhaal halen omdat ze € 300,- te weinig heeft doorberekend aan een Spanjaard met 70 kilo bagage, die niet genoeg geld bij zich heeft en dreigt zijn vlucht te missen. Stress alom. We vertrekken onverrichter zake met de mededeling dat we het maar aan de gate moeten proberen.

De controle bij de douane lijkt elke keer strenger te worden, nu worden in sommige gevallen zelfs de schoenen gecontroleerd. Ron’s diarolletjes worden ook aan een minutieus onderzoek onderworpen, maar ik mag, net als anders, gewoon door. Tijd om een puzzelboekje en een broodje te halen is er niet meer. Bij aankomst aan de gate blijken onze boarding cards al gewijzigd. We zitten toch naast elkaar. Wel zo gezellig.

Een cityhopper brengt ons in 45 minuten naar Parijs, Charles de Gaulle. Dachten we in het verleden dat Heathrow groot en chaotisch was, Parijs is nog erger. Bij de douane moeten we allemaal onze schoenen uitdoen. Ze nemen geen enkel risico. Door een wirwar van steegjes komen we bij een bus die ons naar terminal C brengt. Er is verrassend veel belangstelling voor onze vlucht. Air France is een van de weinige maatschappijen die rechtstreeks vanuit Europa naar Madagaskar vliegt, er zitten zelfs Amerikanen te wachten. Ook hier chaos alom. Met een andere bus worden we teruggereden naar waar we net vandaan zijn gekomen. Het zal wel Franse logica zijn.

Ons vliegtuig is een Airbus. We installeren ons op rij 44 en krijgen een Amerikaanse buurman. Door de vele vliegtuigen die het Franse luchtruim in willen, moeten we een tijdje wachten. De stewardessen maken van de gelegenheid gebruik om insecticide te spuiten. Niet slecht voor de gezondheid, zeggen ze, maar het stinkt behoorlijk. De vlucht duurt 9 uur en 45 minuten, aldus de gezagvoerder. We brengen deze tijd door met ons personal video screen (The Interpreter, Sahara, en Ron ook nog Mr. en. Mrs. Smith), een beetje slapen, eten en een sporadisch wandelingetje.

Tana (Antananarivo)

Rond 22.15 uur, iets later dan gepland, landen we in Antananarivo (kortweg Tana), de hoofdstad. Met het ingevulde papiertje begeven we ons naar de douane, waar het zonder omkijken weer aan de kant wordt gegooid. Ons visum wordt snel bekeken en dan begint het lange wachten aan de bagageband. Interessant om te zien hoe hele pannensets, grote kisten en maxi cosi’s voorbij komen. Als alle bagage op is, blijven er zo’n 20 mensen over die helaas niet herenigd kunnen worden met hun koffers/tassen, waaronder Ilona en Ik. Echt wel balen. Door een hoop gedoe bij de balie (leuke baan, al die chagrijnige mensen te woord staan), zijn we pas na twaalven buiten, met een humeur dat ernstig te wensen overlaat. Het goede nieuws is dat de afwezigheid van mijn tas al gesignaleerd is, en er een formulier is ingevuld. Hij ligt in Parijs en komt met de vlucht van 5.00 uur morgenochtend hierheen. We zullen zien. Bij de bus zien we chauffeur Hary en eerder hebben we reisbegeleider Frank al ontmoet (ons nog bekend van Kenia/Tanzania).

Het hotel voor vannacht ligt op enkele minuten rijden van het vliegveld. Tana by night, we zien er bar weinig van. Het hotel is zo nieuw dat de verflucht ons tegemoet komt. Ze hebben de kamers vandaag speciaal voor ons ingeruimd en moeten ze na ons vertrek weer leegmaken voor de afwerking. Boven krijgen we een welkomstdrankje aangeboden, waarnaar we meteen onze kamer opzoeken. Het was een lange dag…

Donderdag 15 september

Best wel slecht geslapen vannacht. De bedden en de kussens waren keihard en het was zo koud dat ik elk kwartier moest plassen. En dan was ik natuurlijk niet blij vanwege de ontbrekende bagage. Uiteindelijk sukkelen we toch weg en zijn rond 7.00 uur wakker. De eerste blik is naar buiten. Het is een beetje grijs. Om ons heen zien we heuvels en wat huizen. Over het rode zandpad dat naar beneden loopt, wandelen kinderen naar school. Je kunt zo zien dat dit een rijker stukje stad is. Bij gebrek aan beter, was ik voor deze ene keer mijn haar met Head en Shoulders. Voor het ontbijt houdt Frank zijn welkomstpraatje. Voor hem is het ook de eerste keer dat hij hier is.

Het ontbijt wordt door veel mensen in een heel relaxt tempo klaargemaakt. Het is duidelijk dat we de eerste gasten zijn. Het koffiezetapparaat, de waterkoker en het broodrooster moeten nog uit de doos worden gehaald. Het ontbijt is heerlijk: eieren, jam, pain au chocolat, koffie, thee, jus d’orange en fruit. Daar zouden we aan kunnen wennen.

We kunnen nu de weg naar het vliegveld bij daglicht bekijken: met Frank en Ilona ga ik erheen om te informeren hoe het met de bagage staat. Via de catacomben van het vliegveld komen we bij het kantoortje van het “hoofd bagage”. In een loods wordt onder een stapel koffers mijn tas vandaan gehaald. Hoera! Hij ziet eruit alsof ie een goed stofbad heeft genomen, maar wat kan mij dat schelen. Als alle koffers in deze loods toebehoren aan toeristen die zonder bagage rondtrekken, ziet dat er niet best uit. Van de rugzak van Ilona ontbreekt vooralsnog ieder spoor. Een douanier wil graag in mijn tas kijken. Dat kan dus niet. Hij zit op slot en de sleutel ligt bij Ron in het hotel. Met een handtekening neemt hij gelukkig ook genoegen.

Terug bij het hotel heeft iedereen zijn/haar euro’s gewisseld voor ariary en francs. Gemakshalve hebben ze 2 munteenheden, en de ariary is 5 keer zoveel waard als de franc. Lekker makkelijk. 2400 ariary is een euro. Dat zal rekenen worden in het begin (en misschien wel de hele vakantie). De bouwvakkers die naast het hotel aan het werk zijn, zien onze komst als een mooie gelegenheid om het werk neer te leggen en ons geïnteresseerd aan te gapen. Wij doen natuurlijk hetzelfde en maken wat foto’s. Ik heb 25 rolletjes bij me dus moet op tijd beginnen.

Als de bagage op het dak geladen is, kunnen we vertrekken. Het kost ons ongeveer een uur om de stad uit te komen. We komen ogen te kort. Erg veel mensen, markten, lelijke eendjes en andere auto’s van Franse makelij en veel winkeltjes en oude koloniale huizen. De bevolking is een unieke mix van Azië en Afrika; geen twee gezichten lijken op elkaar. De eerste bewoners, zo’n 2000 geleden, waren waarschijnlijk Indonesiërs. Later hebben zich ook mensen van Arabische en Afrikaanse afkomst op het eiland gevestigd.

Aan de rand van de stad bij een sluis wachten we op een medewerker van de lokale agent. Door alle consternatie met vermiste tassen e.d. is Frank de hotelvouchers vergeten. Het is wasdag vandaag. Bermen en struikjes worden opgesierd door roze dekens, T-shirts, ondergoed en kleurige kleedjes. Voordat we goed en wel de bus uit zijn, krijgen we bezoek van 4 kinderen, ongeveer 4 jaar oud, met grote bruine ogen, gescheurde kleding en stoffige armpjes en beentjes. Ze blijven ons de hele tijd strak aankijken en er kan geen lachje vanaf. We nemen een kijkje bij de fietsenmaker op straat en verbazen ons over de vele creatieve manieren waarop vracht wordt vervoerd, van autobanden tot bergen schuimmatrassen en halve koeien.

Zodra de vouchers zijn aangekomen, kunnen we onze weg vervolgen. Chauffeur Hary stuurt ons behendig en met beleid door de vele bochten die ons langzaam naar boven leiden, vanwaar je mooi uitzicht hebt op de kleurrijke stad aan de ene kant en de akkers aan de andere kant. Enkele veldjes zijn beplant, andere worden omgeploegd. Zwaar werk, door al die klei. Sommige boeren hebben assistentie van een zeboe, de Malagasy variant van onze koe, met grote hoorns en een vetbult in hun nek.

Het landschap is indrukwekkend: veel rode grond en lemen huizen in dezelfde kleur die tegen de hellingen zijn geplakt. De huizen hebben kleine ramen, die zo zijn geplaatst dat boze geesten niet naar binnen kunnen. Dit is een van de vele bijgeloven, “fady” genaamd, die voor de Malagasy deel uitmaken van het dagelijks leven. Fady kunnen betrekking hebben op handelingen, eten, dagen van de week waarop het gevaarlijk is om bepaalde dingen of dingen op een bepaalde manier te doen. Wat deze dingen zijn, kan verschillen van familie tot familie en van gemeenschap tot gemeenschap. Zo kan het fady zijn een begrafenis op dinsdag te houden, omdat er dan nog iemand dood zal gaan, om een ei rechtstreeks aan iemand te geven (zonder het eerst op de grond te leggen), of om te zingen tijdens het eten. Erg ingewikkeld allemaal. Al rijdende breekt de zon een beetje door en wordt het iets warmer. Dat kan geen kwaad. Het is vrij fris nog.

Langs de weg worden souvenirs aangeboden, waaronder vele gekleurde rieten manden, raffia dieren en houten en blikken vrachtwagens. Bij de laatste twee stoppen we. Van de grote vrachtwagens zouden onze neefjes waarschijnlijk erg gecharmeerd zijn. Helaas, het is pas onze eerste dag hier en we hebben geen zin om 3,5 week met een blok hout rond te lopen. De verkopers vatten het sportief op en dringen niet aan. En dat terwijl je duidelijk kunt zien dat ze het geld goed kunnen gebruiken. Een heel verschil met een land als Egypte.

Antsirabe

Lunchen doen we bij restaurant “Rendez-vous des pecheurs” in Ambatolampy, dat erg populair is bij toeristen. Na de lunch (rijst met vette kip, niet echt lekker), wordt het moeilijk om niet in slaap te vallen. De weg is gelukkig minder bochtig dan vanmorgen. Ron en ik wisselen van plaats op de achterbank, zodat Ron even kan slapen. Gezellig kletsend met Martine, gaat de tijd redelijk snel voorbij. Toch ben ik wel een beetje opgelucht als het bordje Antsirabe verschijnt, want ik moet echt heel nodig plassen. Dit stadje is in 1872 door Noorse missionarissen gesticht, die afkwamen op het relatief koele klimaat en de thermale bronnen. De naam “Antsirabe” betekent “de plaats van veel zout”.

Bij hotel Hasina worden we opgewacht door de pousse-pousse-lopers, mannen met houten karren (loopriksja’s), die ons erg graag door de stad willen vervoeren. Op zich is dat niet nodig, zo groot zijn de afstanden niet. We krijgen de azalea-kamer (alle kamers hebben bloemennamen) op de eerste verdieping aan de straatkant. Aan de andere kant van het raam proberen de pousse-pousse-mannen in gebarentaal nog steeds zaken met ons te doen. Tevergeefs. We blijven lekker een paar uurtjes op de kamer. Ook deze kamer heeft weer een prachtig hardhouten vloer. We douchen en luieren wat en ik schrijf mijn verslag. Morgen gaan we het stadje wel verkennen.

Om 19.00 uur hebben we afgesproken om met zijn allen te gaan eten in restaurant Gaëlle, vlakbij de kathedraal. Boven is een grote tafel gereserveerd. Frank legt het concept “indviduele groepsreis” uit en geeft toelichting op het programma van morgen. Bijna iedereen (Ron ook) eet romazava, een stoofpot met vlees, kip en, zo lijkt het, andijvie. Ik heb heerlijke spaghetti. De koffie na het eten laat erg lang op zich wachten. Om kwart voor 10 ben ik het beu. Ron brengt me terug naar het hotel. Er is bijna niemand op straat, dit plaatsje kent geen druk nachtleven. Terug op de kamer schuif ik de bedden tegen elkaar en leg de deken van het derde bed over het onze. We hebben het nu in ieder geval niet koud vannacht.

Vrijdag 16 september

Om kwart over 6 word ik wakker. Mijn horloge ligt verkeerd, dus ik denk dat het 8 uur is, ook vanwege de bedrijvigheid op straat. Ron wijst me er subtiel op dat het nog geen tijd is om op te staan. Slapen kan ik niet meer, een mooie gelegenheid om een stukje verslag te schrijven. Gisteren hebben we een wandeltip gekregen: links, links, links … en dat het een aantal keer herhalen en dan zouden we weer terug moeten zijn als het goed is. Onze pousse pousse-mannen staan al klaar. Vooral nr. 1, Daniël, met Adidas-pet, trekt onze aandacht. Misschien vanmiddag…

De wandeling voert langs het Hotel des Thermes (een meer dan 100 jaar oud hotel in koloniale stijl) naar beneden naar een meertje. Overal treffen we schoolgaande kinderen. Het verschil tussen de meer en minder bedeelden is goed zichtbaar. De kinderen van goede komaf laten zich met modieuze rugzak en kleding met de pousse-pousse vervoeren, de andere kinderen lopen op blote voeten en hebben gescheurde kleding aan.

Bij het meertje liggen ook de thermale baden. Zowel links als rechts van het meertje loopt een wandelpad. Ook hier volop bedrijvigheid. Toeristen op straat op dit tijdstip is men niet gewend, we trekken volop bekijks. Er wandelt ook een heel zielig hondje mee, dat honger lijkt te hebben en zachtjes jankt. Ik zou hem het liefst mee willen nemen. Aan de andere kant van het meertje lopen we terug het stadje in. Beneden ons rijstvelden. De reguliere winkels zijn nog gesloten, enkel de marktkraampjes zijn al in business. Waar we nu lopen, bevinden zich de non-food-kramen. Alles wordt gerecycled, tot de kleinste potjes en stukje elektriciteitsdraad aan toe. Via een winkelstraat bereiken we het hotel.

We bestellen een lekker ontbijtje met ei, sap en thee en staan om half 10 klaar voor vertrek op het binnenplaatsje van het hotel. Na het praatje van Frank gisteren over op tijd komen, is het vreemd dat hij de enige is die ontbreekt. We wachten een half uur, waarin ik als tijdverdrijf mijn eerste souvenirs koop, en beginnen ons dan ongerust te maken. Jornt en consorten hebben hem gisteren rond middernacht in de kroeg achtergelaten en daarna heeft niemand hem meer gezien. Nogal vreemd.

Een paar reisgenoten gaan op zijn kamer kijken en met z’n vieren gaan we naar de kroeg waar hij gisteren voor het laatst gezien is. Ik mag het woord voeren, is de Vertalersopleiding toch nog ergens goed voor geweest. De eigenaar weet te vertellen dat Frank rond 1.00 uur de kroeg heeft verlaten en naar het Hotel Diamant zou zijn gegaan. Daar gaan we verder navraag doen. Het is een takkeneind lopen en nog warm ook. Jornt gaat terug om te bezien of er al nieuws is. Als we net ons verhaal hebben gedaan bij het Hotel Diamant komt hij eraan: Frank is getraceerd. Hij heeft een aanrijding van een pousse-pousse-man gezien en is in het ziekenhuis. Heel verschrikkelijk, maar we zijn wel blij dat met Frank alles goed is.

Nu kunnen we eindelijk vertrekken. Bij de Shoprite doen we lunchinkopen, waarna we koers zetten naar de 2 meren die respectievelijk 7 en 15 kilometer buiten de stad liggen. Buiten de stad maakt de asfaltweg plaats voor een zandpad. En om hier te mogen rijden, moet nog tol betaald worden ook. Wat ze met het geld doen is een raadsel, het wordt in ieder geval niet gebruikt voor onderhoud van de weg.

We hebben Marc benoemd tot reisleider ad interim. Waar zouden we zijn zonder de Belgen? We hotsen en knotsen langs dorpjes en akkers totdat we de ingang van Lake Tritriva bereiken. Een groep jongens en meisjes staat ons al op te wachten, met mooie stenen eieren en schilpadjes. Het zijn er zoveel dat onze groep qua grootte verdubbelt. Een gids geeft een korte uitleg: dit kratermeer is zo’n 500 jaar geleden ontstaan na een vulkaanuitbarsting. Indertijd woonde de koning hier, die, gelukkig voor hem, op tijd is verkast. Het meer zou ondergrondse kanalen hebben. Afval dat in het meer gegooid werd, dook weer op in het dorp. Er is ook een verhaal van 2 geliefden die niet samen mochten zijn en toen zelfmoord hebben gepleegd door in het, volgens de gids, meer dan 140 meter diepe water te springen. Als symbool hebben er op de plek waar dit gebeurde, heel lang 2 bomen gestaan met in elkaar verstrengelde takken. De legende zegt dat als de takken van de bomen werden afgezaagd, er geen sap maar bloed uit zou komen. De bomen zijn uiteindelijk tijdens een cycloon verwoest.

We “doen” een rondje meer, een wandeling van ongeveer een half uur. Het water is prachtig blauwgroen. Vanuit een bepaalde hoek lijkt het op de kaart van Afrika. Mijn begeleidsters, 15 en 16 jaar oud, wandelen giebelend achter mij aan. Ze zitten nog op school, vertellen ze en hebben nog geen vriendje. Trouwen doen ze pas als ze tussen de 18 en 25 jaar oud zijn. Terug bij de bus proberen ze met enig aandringen hun verkoopwaar aan de vrouw te brengen (de mannen worden, uiteraard geheel ten onrechte, ontzien). Een beetje socialiseren is leuk natuurlijk, maar er moet op z’n tijd ook geld verdiend worden.

We stuiteren terug richting Antsirabe. In de dorpjes wordt overal gezwaaid. Deze dorpen zijn redelijk welvarend omdat ze gerst verbouwen voor de bierbrouwerij in Antsirabe (Star Brewery). In het voorlaatste dorp voor het tweede meer stoppen we. De dorpsbewoners lijken vereerd met ons bezoek en we worden overal vrolijk begroet. In het kleine half uurtje dat we er zijn, schudden we veel handjes en maken we veel foto’s. Het hele dorp loopt uit om de “vazaha” (buitenlanders) te bezichtigen en met name de kinderen hebben dikke pret, zeker als ze zichzelf terugzien op de digitale camera. We ontmoeten de dorpsoudste, een kleine vriendelijke vrouw met veel rimpels. Ze is 60 jaar, vertelt ze. Niet slecht voor een land waar de gemiddelde levensverwachting ongeveer 57 jaar is. Zelfs Ron waagt zich vandaag aan de portretfotografie. Als we weer weggaan, worden we bedankt voor ons bezoek, terwijl we juist hen zouden moeten bedanken. Hartstikke leuk!

Bij Lake Andraikiba stoppen we voor de lunch. Een mooie picknicklocatie. Dit meer is niet zo spectaculair als het andere en wordt gebruikt voor recreatiedoeleinden. Een groep Afrikanen vaart in een bootje langs om te zien wat wij allemaal aan het doen zijn. Als de boterhammen e.d. verorberd zijn, rijden we terug naar het hotel, waar Frank al op ons staat te wachten. Nu horen we het hele verhaal: het is een arts die de man heeft aangereden en de man is inmiddels in het ziekenhuis overleden. Hij is met zijn hoofd tegen een stoeprand gevallen. Een vreselijk verhaal.

We wassen globaal het stof van ons af en gaan dan een stukje wandelen, dit tot groot ongenoegen van Daniël, nr. 1. Deze keer lopen we naar het station, dat binnenkort weer in gebruik genomen zal worden, een mooi koloniaal gebouw. We worden veelvuldig aangehouden door kinderen die bedelen om geld, eten of een pen. Ze gaan onverrichter zake weer weg. Bij een winkeltje met handgeschept papier versierd met bloemen, koop ik een stapeltje kaarten.

Vanaf het station loopt een brede weg met bankjes en lange rijen platanen naar het Hotel des Thermes, waar we op het terras in de tuin naar koffie smakende thee geserveerd krijgen. Niet lekker, maar de ambiance en het uitzicht maken veel goed.

Vlakbij het hotel worden we aangesproken door een mevrouw met een baby, die vraagt of we rijst voor haar willen kopen. Vooruit dan maar. Dit heeft een aanzuigende werking, binnen recordtijd staan er 3 vrouwen met een klein kind en 1 meisje met een kind. Ik houd het bij 4 kilo. Een verfrissende douche later, maken we ons op voor het diner. We zijn op tijd terug op de kamer, zo rond 20.15 uur. Even schrijven, lezen en muziek luisteren, daarna gaan de lampen uit.

Zaterdag 17 september

Gisterenavond heeft Ron diarree gekregen en ik vannacht ook. Best wel vervelend en niet echt bevorderlijk voor een goede nachtrust. Dat is de Franse groep ook niet, die gisteren is aangekomen. Rond 6 uur ben ik echt wakker. Afgaande op de geluiden buiten, zou het dan goed na achten kunnen zijn. We ruimen de spullen een beetje op en gaan dan naar de eetzaal, waar heel efficiënt de broodjes al klaarliggen. We houden het bij een droog stokbroodje en ik regel een kan heet water, zodat Ron thee en soep kan maken.

Ik voel me niet ziek en besluit naar de zeboemarkt en naar de reguliere markt te gaan. Ron vertrouwt zijn darmen niet zo en blijft thuis. Ter lering en vermaak mag hij een Bradt lenen over Madagaskar wildlife. Als we water hebben gekocht, ga ik onderhandelen over een pousse-pousse. De keuze valt op Daniël, die heeft de afgelopen dagen zo z’n best gedaan. We spreken af dat hij de hele ochtend bij mij blijft en me heelhuids weer terugbrengt en komen een prijs overeen van 12.000 ariary, de helft van waar hij om gevraagd heeft. Nu kan ik op pad, uitgezwaaid door Ron.

In het begin is het moeilijk te ontspannen en een beetje gênant ook om als toerist in een karretje te zitten dat door een Afrikaan wordt getrokken. Maar ja, de lokalen doen het ook en aan mij verdient ie meer. We wandelen via een voor mij nieuwe route naar het meertje, waarna de grote klim begint. Halverwege de weg die omhoog gaat, en waar de markt is, slaan we rechtsaf een zandpad in. Volgens de reisgids is het nu niet ver meer, in de praktijk valt het tegen. Nou ja tegen, het is een mooie gelegenheid om zonder bedelende mensen om je heen te kijken en het dorpsleven te observeren. Overal wordt gezwaaid. Ook nu blijkt weer dat dit helemaal mijn land is. Die vriendelijk lachende mensen, die mooie landschappen…

Na zo’n 3 kwartier komen we aan op de plaats van bestemming. De pousse wordt bij een mannetje geparkeerd en we wandelen over de akker naar een groot veld waar de wekelijkse veemarkt wordt gehouden. Van heinde en verre komt men hierheen om vee te verkopen dan wel de veestapel uit te breiden. Het is ook een sociaal evenement. Diverse eettentjes en zelfs een casino moeten zorgen voor het nodige vermaak. De afdeling “catering” is grotendeels in handen van de vrouwen, het vee voornamelijk een mannenaangelegenheid. De verkoopwaar bestaat grotendeels uit zeboes, best wel wat varkens en een verdwaald schaap. De prijs voor een zeboe bedraagt 150.000 ariary (€ 60,-), een koopje. Iedere koe heeft een soort oormerk, zodat nagegaan kan worden wie de eigenaar is. Als de koop is gesloten, wordt de eigendom van het dier “overgeschreven” bij een daarvoor ingericht loket.

Vanwege mijn voorliefde voor koeien en varkens kom in helemaal aan mijn trekken. Vooral de biggetjes zijn echt schattig. Als ik van een van hen een foto wil maken, wordt hij opgetild door zijn baasje en begint hartverscheurend te gillen. Dat was nu net niet de bedoeling. Hetzelfde geluid klinkt regelmatig van andere varkens, die met hun poten aan elkaar worden gebonden om vervoerd te kunnen worden. Op een pousse-pousse ligt een groot roze varken, zo bij elkaar gebonden dat hij de strijd maar heeft opgegeven. Ik heb het met hem (of haar) te doen. Ter afwisseling op alle koeienportretten schiet ik wat plaatjes van locals. Sommigen van hen lijken nog zelden of nooit een toerist met een camera gezien te hebben. Hilariteit alom.

Mijn gids komt me zoeken. Volgens mij vindt hij het tijd worden om terug te gaan. Als we teruglopen, vertelt hij dat hij eigenlijk toch wel 25.000 ariary wil. Ik kan zijn verhaal niet helemaal volgen, maar dat lijkt de strekking te zijn. Eerder leek het hem al een goed idee dat ik wat vee voor hem kocht. Een beetje moedeloos wordt je er wel van. We betalen de parkeerplaats bij de zeer vriendelijke familie die erop gepast heeft, en gaan weer op pad. Het is behoorlijk warm geworden. Bij de steilere klimmen en afdalingen, stap ik uit. Fijner voor mijn chauffeur en veiliger voor mij.

Bij de warenmarkt stoppen we. Dit is een wirwar van smalle steegjes met kraampjes. De koopwaar is overzichtelijk verdeeld in secties. Er wordt veel gestolen, dus oppassen op de spullen. We kijken kort bij de afdelingen groente en fruit en kleding en schoenen en komen nog de vrouw tegen van Daniël.

Rond 12 uur zijn we terug in het hotel. Mijn vermoeden blijkt juist: hij wil meer geld. Ik geef hem 15.000 ariary. Dan wil hij graag een biertje bij het terras waar Ron en Frank zitten. Ik was al van plan hem iets te drinken aan te bieden, maar daar heb ik nu helemaal geen zin meer in. Teleurgesteld druipt hij af. Met Ron gaat het iets beter. Ik eet wat rijst met groente, daarna wachten we op de binnenplaats op vertrek. De bagage van Ilona is zojuist ook gearriveerd.

Om 13.00 uur vertrekken we richting Ambositra, zo’n 70 kilometer verderop. Ook nu weer is het landschap fantastisch. Vooral de ruige bergen afgewisseld door diepgroene rijstvelden spreken ons erg aan. In een dorpje stoppen we. Frank gaat informeren of we een huis kunnen bezoeken. Een prima initiatief. Toevallig dat we het er gisteren nog over gehad hebben. Tegen een kleine vergoeding is uiteraard veel mogelijk. Een gegadigde is snel gevonden, we mogen het huis van een oude man (80) bezoeken, die hier woont met oma, zoons en hun familie. Via een gammel houten trapje gaan we omhoog. Er zijn verschillende vertrekken: enkele slaapkamers, een keuken, een woonkamer en een wankel balkon. Het is allemaal wel een beetje krap, zeker nu het halve dorp mee naar boven is gekomen. De andere helft staat beneden verwachtingsvol naar boven te gluren. Een leuke afwisseling op de dagelijkse routine, zo’n groep toeristen.

Ambositra

We rijden weer verder en komen rond 15.30 uur aan bij Hotel Violette, zo’n 1,5 kilometer buiten het dorp, prachtig gelegen tussen de rijstvelden. Vanaf het terras heb je mooi zicht op het verderop gelegen dorp. We kieperen onze spullen op de kamer en gaan op pad. Lekker om het hotel te kunnen verlaten zonder dat er een pousse-pousse-man je in de nek springt. Ze schijnen er wel te zijn, maar wij zien ze gelukkig niet. We lopen naar het dorp, dat bekend staat om zijn houtsnijwerk en de lekkerste kaas van Madagaskar, die door de plaatselijke nonnen wordt gemaakt. Van een afstand lijkt het een heel compact en overzichtelijke plaatsje, als we eenmaal daar zijn, valt dat een beetje tegen. Het is vandaag marktdag, maar we zijn aan de late kant en veel kramen worden al opgeruimd. Met enig zoekwerk vinden we de winkeltjes met houtsnijwerk. Ik bezoek er een paar, maar ben niet echt onder de indruk.

Een deel van de groep gaat terug naar het hotel om op te frissen en dan bij Gasy te eten, volgens de Bradt een van de beste restaurants hier. We gaan ook even kijken. Op de kaart staan alleen maar vleesgerechten en Ron wil graag iets lichts eten, dus zoeken we verder. We komen uit bij het Grand Hotel, dat zijn naam geen eer aandoet, maar wel een gezellig restaurant heeft. Onderweg komen we Raymond en Martine tegen, die met ons meegaan. Gezellig en lekker eten. Tegen achten lopen we terug naar het hotel. Best wel akelig al die snelheidsduivels op de donkere weg.

Zondag 18 september

Iets voor zevenen staan we op, en pakken de spullen in. Mijn tas is nu al behoorlijk in gewicht toegenomen. Het ontbijt staat al klaar: droog stokbrood, chocoladebroodjes (hebben die Fransen toch iets goeds gedaan), thee, jus d’orange en een flubberei.

In het dorp worden flink wat flessen water ingeslagen voor ons eerste natuurpark. Kom maar op met die lemuren! Vandaag een bosrijkere omgeving en dat moet ook, we gaan tenslotte naar het regenwoud. De mensen zijn anders dan dat we tot nu toe gezien hebben: andere gelaatstrekken en ze hebben gekleurde dekens omgeslagen. Voor hun begrippen is het hier koud. Vandaag geen zondag rustdag: er kan nog steeds naar de markt gegaan worden.

We stoppen op een punt waar veel kraampjes zijn met houtsnijwerk. Niet wat we in Ambositra gezien hebben, maar houten snijplanken en lepels. De chauffeur rijdt een stuk verder, wij mogen even lopen en genieten van de fantastische uitzichten. Af en toe lukt het toch een fotootje te maken van deze kleurrijke bergbewoners. We rijden door naar een dorp waarvan de naam met een a begint (zoals zovele) en waar ook een kleine markt is. Hier komen weinig toeristen. De meeste markten bestaan uit vaste kramen, maar niet alle kramen zijn standaard bezet. Het is vandaag tamelijk rustig. We worden aangegaapt of we zojuist van een andere wereld geland zijn en de meeste marktgangers poseren gewillig voor de camera. We kopen een paar worteltjes, nu we toch wel wat vitamines missen door het beperkt aanbod aan groente en fruit. Het aanbod is ook hier niet overweldigend: kleine bergjes tomaten, uien, wortelen, dubieus uitziend vlees, gedroogde vis.

We vervolgen onze toch tot een uitzichtspunt met picknickbankjes. Niet iets dat je verwacht in een derde wereldland. De ideale lunchplek. Terwijl wij onze stokbroodjes (deze zijn wel vers!) met kloosterkaas verorberen, komen vanuit het dal een paar kinderen en volwassenen aangelopen in vodden. Net voorbij ons gaan ze zitten om naar ons te kijken. Ik vind het wel gênant dat wij zo lekker zitten te eten en zij niks hebben en stel voor wat bananen uit te delen. De verwachte aanval hierop blijft uit. Ze wachten keurig op hun beurt en zeggen “dank je wel”. Dat maak je niet vaak mee.

Kort na het uitzichtspunt verruilen we de asfaltweg voor een asfaltweg met gaten en zand. De politieagent voor aan het pad stelt vast dat een van de remlichten kapot is, wat voor enig oponthoud zorgt. Dit tot ongenoegen van de kinderen die klaar staan boven op de heuvel om ons uit te zwaaien. Nu moeten we nog 38 kilometer naar Ranamofana, een rit waar met name de heren op de achterbank met volle teugen van genieten. En het goede nieuws: overmorgen mogen we dezelfde weg weer terug. Aan de rand van het park zien we onze eerste lemuur. Van welk soort weten we niet, hij of zij is in ieder geval bruin.

Ranomafana

Tot onze verrassing zijn de laatste kilometers toch weer asfaltweg. Precies zoals aangekondigd staat we om 15.00 uur aan de entree van het park. Frank gaat gidsen regelen voor de wandelingen van vanavond en morgen. De gidsen hier zijn over het algemeen nogal arrogant, zo schijnt het. Frank heeft in zijn draaiboek een lijstje van gidsen die wel enigszins te pruimen zijn. Als e.e.a. geregeld is, checken we in in het hotel Ihary, zo’n 6 kilometer verderop aan de rand van het dorp. Wij betrekken bungalow nr. 2, die er gezellig uitziet. We kunnen even naar de wc en zoeken onze spullen bij elkaar (zaklamp, fototoestel en Deet) en dan moeten we alweer gaan.

Om 16.30 uur worden we terugverwacht bij de ingang van het park voor de nachtwandeling, met als belangrijkste doel het zien van insecten, kameleons, de muislemuur, de civetkat en de ringstaartmangoest. We zijn benieuwd. Enkele jaren geleden is er een mooi trappenstelsel aangelegd, dat naar de brug over de rivier leidt en daarna heel ver omhoog. Door de hoge luchtvochtigheid, staan de zweetdruppeltjes al snel op ons voorhoofd. Onderweg naar boven zien we een gekko.

Boven aangekomen zit de muislemuur al klaar. De gids die het eerste aankwam, heeft banaan aan een boomtak gesmeerd, die er zorgvuldig met een klein roze tongetje weer afgelikt wordt. Je kunt er heel dichtbij komen en het flitslicht lijkt hem niet te storen. Het is een aandoenlijk beestje van slechts 45 gram met hele grote ogen. De gids vertelt dat ze buiten de paartijd solitair leven en een territorium hebben van 1 ha, wat vrij veel lijkt voor zo’n klein beest. Rond maart krijgen ze een jong dat ze in een nest, gecamoufleerd met bladeren, verstoppen als ze op strooptocht gaan. Behalve banaan en ander fruit, eten ze ook zaden en insecten. Gaandeweg komen er steeds meer lemuren, wat enige onenigheid veroorzaakt over de verdeling van de bananen. Ze laten ook zien dat ze goed kunnen springen. Als het donker wordt, staan we nog een steeds te kijken naar 2 lemuren, die vlakbij ons het restant van een banaan verorberen. Echt schattig. We zouden er zo eentje in een doosje mee willen nemen.

Frank heeft ook vlees gekocht, dat in kleine stukjes wordt gesneden en dat het diner vormt voor de ringstaartmangoesten en civetkatten die ook solitair leven en duidelijk niet van plan zijn hun avondmaal te delen. We zien 3 mangoesten en 3 civetkatten, een marterachtige. Erg mooi, maar de muislemuur heeft mijn hart gestolen. In het donker aanvaarden we de terugreis, wat niet meevalt voor iemand die nachtblind is zoals ik en wordt er met zaklampen gespeurd naar wildlife. We zien een gekko, een spin, een kleine en een grote boomkikker, een wandelende tak en een kameleon, waarvan Ron heeft gelezen dat ze ’s nachts wit zijn. Ziehier het bewijs.

Maandag 19 september

Voor de wekker zijn we wakker, rond kwart voor 6, omdat in een nabijgelegen hutje al volop activiteiten worden ontplooid. Nog nooit zo’n vroege groep meegemaakt. Het ontbijt is niet bijzonder: droog brood en vette eieren. Daar zijn we zo klaar mee, waardoor we even bij de rivier kunnen kijken, waar een man bezig is schoolkinderen naar de overkant te dragen. Een prima alternatief voor de schoolbus.

We rijden terug naar de entree van het park, vanwaar 2 wandelingen starten, een van 3 uur en een van 6 uur. Ik ga op pad met de 5 (Fred, Carla, Jos, Hans en Wanda), Ron sluit zich aan bij de groep voor de lange wandeling. Gidsen Lula en Diamant gaan met hen mee. Wij krijgen de gids waarvan we gisteren de naam ook niet konden verstaan. Het eerste deel van de wandeling is identiek aan die van gisteren. We zien een paradijsvliegenvanger en krijgen uitleg over de medicinale werking van planten, waaronder de datura en de verschillende soorten bamboe. Voor ons is het nog lekker koel, de gids heeft het koud en draagt een ski-jack. De kikkers en kameleons zijn nog niet wakker, wel nemen de vogelgeluiden hand over hand toe. Verder totale stilte. Heerlijk!

We worden een paar keer geparkeerd op splitsingen. De gids gaat dan op zoek naar lemuren. In dit park komen 12 lemuursoorten voor. Vandaag staat in het teken van de bamboe-lemuren, waar dit park bekend om is. We moeten de gids volgen off the road door een glibberig stukje regenwoud, waarbij we afwisselend moeten klimmen en dalen. Nadat we weer een keer zijn achtergelaten, komt Diamant ons halen. De lemuren zijn gesignaleerd en we moeten naar boven, waar het steeds gladder wordt. Gelukkig zijn er veel bomen waar je je aan vast kunt houden.

En we hebben nog meer geluk: in het park waar het 200 dagen per jaar regent, schijnt vandaag de zon. Van een afstandje kunnen we zien waar het te doen is, de plek waar de rest van onze reisgenoten en alle andere in het park aanwezige toeristen naar boven staren. Een van de gidsen wijst mij een plek, vanwaar ik goed uitzicht heb. Dit zijn de grote bamboe-lemuren, waarvan werd gedacht dat ze uitgestorven waren, maar die in 1986 zijn herontdekt. Ze leven per familie in groepen van zo’n 7 dieren en eten, hoe kan het ook anders, bamboe. Daar zijn nu ook nu mee bezig. Een grappig geluid, dat losscheuren van stukjes bast.

In de boom voor mij zitten er 2, in totaal zien we er 5. Als ze een beetje in elkaar gedoken zitten, hebben ze met hun pluizige vacht wel iets weg van koalabeertjes. Dit was de wandeling meer dan waard. We glijden het hele eind weer terug naar de trap en bereiken uiteindelijk zonder kleerscheuren de parkeerplaats. Buiten hangt een lijstje met bezoekersaantallen. Het park mag zich verheugen in een toenemend aantal bezoekers per jaar: van 3000 in 1993 tot 15.000 vorig jaar.

Terug bij de hut eerst een lekker verfrissende douche, daar had ik mij al op verheugd. Na de lunch, die ongeveer 1,5 uur op zich laat wachten, installeer ik mij in de buurt van de rivier. Vier kinderen zijn lekker aan het badderen, onder het toeziend oog van oma. Als ze goed zijn afgesopt en aangekleed (afdrogen hoeft kennelijk niet), gaat oma zelf te water. Ze snuit een keer lekker haar neus, trekt ongegeneerd haar rok omhoog en zakt met haar blote billen in de rivier om te plassen.

De kinderen die uit school komen, doen hun broek uit, waden naar de overkant en kleden zich daar weer aan. Een onderbroek is overbodige luxe. De grotere jongens dragen de rugzakken van henzelf en hun kleinere collega’s boven hun hoofd. Ik zit net als de andere groep terugkomt. Is er nog niets terecht gekomen van mijn plannen om te schrijven en te lezen. Het was een zware wandeling en aan de bezwete shirtjes te zien ook lekker warm. Ze zijn bij de waterval geweest en hebben nog 3 soorten lemuren gezien: de wollemuur, de roodbuiklemuur en de bruine lemur.

Terwijl ik schrijf, wast Ron het zweet van zich af. Dan gaan we met Raymond en Martine, Jornt en Jeanette, Marc en Marcel naar de “verkoelende” warmwaterbaden. Het terrein waar het bad ligt, is erg mooi en bloemrijk. De kleedhokjes en het bad zelf zijn in geen jaren onderhouden. Een typisch voorbeeld van vergane glorie. De prijs is er ook naar: een kaartje kost slechts 1000 ariary. Ik heb geen zin in heet water en vind een plekje in de schaduw. Als Ron is uitgepoedeld, kleedt hij zich vlug aan. Het is het einde van de dag en er komt steeds meer bewolking binnendrijven, dus de zonneweide is een gewoon grasveldje geworden. Zouden we dan toch regen krijgen?

We wandelen langs kassen waar boompjes worden verbouwd om terug te zetten in het regenwoud. De mannen gaan terug naar het hotel. Martine en ik doen een rondje markt. Daar kun je zo mee klaar zijn, er staan maar een paar kraampjes. Ook hier zijn de mensen weer uiterst vriendelijk. Ik maak wat foto’s van oude vrouwtjes, die hier veel lol in hebben. Een van hen vraagt of ik iets te eten heb. Dat valt te regelen. We kopen een paar bananen die we naar haar toebrengen. Ze is hier heel blij mee, bedankt me uitvoerig en wenst ons een prettige reis verder.

Het enige beestwerk op deze markt zijn cavia’s (ook om te eten?) en hele grote spinnen in de elektriciteitsmasten. We zien een soort fruit dat lijkt op dikke rode pepers. Geen idee wat dat is en navraag levert ook geen duidelijkheid op. Dan kopen we nog twee ananassen voor 5000 ariary. Dat moest eigenlijk francs zijn. Een beetje sneu voor de verkoopster, dus laten we haar de rest houden. Heeft ze ook een keer een goede dag.

Dinsdag 20 september

Alweer voor de wekker wakker, die, net als gisteren, nog om 6.00 uur staat. ’s Nachts is het hier muisstil, maar zodra het licht wordt…. Nu hebben we er plezier van dat we gisteren al hebben ingepakt. Bij de rivier is het, zeker in vergelijking met gisteren, lekker rustig. De lucht is strakblauw, het belooft een mooie dag te worden. Het ontbijt wijkt af van dat van gisteren: geen eieren, maar croissantjes en ananassap. Nog niet optimaal, wel beter.

Iets na achten zijn de tassen geladen en kunnen we boarden. We stoppen een paar kilometer voorbij het park, bij een uitzichtspunt over een waterval. Aan de andere kant van de weg zijn overal orchideeën te zien, paarse en roze. We rijden weer door en zetten ons schrap voor het zandpad. Al met al lijkt het wat beter te gaan dan eergisteren. Na 1,5 uur vol bloeiende planten, vlinders, vogels en zwaaiende kinderen, is het leed geleden.

We stoppen bij een dorpje een kilometer of 5 voor het einde van het zandpad. In de greppel ligt een varken te hyperventileren in de schaduw. Waarschijnlijk hebben ze ‘m goed opgejaagd. De hoogte prioriteit heeft het vinden van een geschikt bosje om achter te plassen. Dan wandelen we op ons gemak het dorp in, dat bestaat uit één straat met rode lemen huizen. Het leven speelt zich op straat af.

We gaan af op hamerslagen die we horen. Deze blijken afkomstig van ijzersmeden. Best brutaal eigenlijk om zomaar achterom te lopen, maar niemand lijkt zich hieraan te storen.

In diverse schuurtjes zijn mannen bezig met het smeden van scheppen. Ritmisch geven ze om de beurt een hengst op het gloeiend hete ijzer. Zwaar werk! Even verderop is een school, waar net gefilmd wordt. Alle kinderen staan op het schoolplein en liggen in een deuk als ze het schermpje van Henk’s videocamera zien. Als Henk vervolgens bijna het trapje afvalt, is de lol compleet. Ik fotografeer nog een oude man, die hiervoor geen bonbon hoeft, en dan is mijn rolletje alweer vol. Ron loopt een stuk voor mij, dus foto’s maken is er dan niet meer bij.

De asfaltweg wordt met gejuich begroet. Nu is het nog zo’n 30 kilometer naar Fianar (voor liefhebbers ook wel Fianarantsoa genoemd), precies goed om even een dutje te doen. Vooraan in Fianar stoppen we bij een fotowinkel annex studio van Pierrot Men, een bekende fotograaf in Madagaskar, die zich voornamelijk toelegt op landschaps- en portretfotografie. In de studio hangen zwartwitfoto’s die supermooi zijn.

Bij restaurant Panda wordt de bus geparkeerd. We komen precies om 12.00 uur aan, als alle luiken van de winkels gesloten worden voor de middagpauze. Daardoor hangt er een weinig gezellige sfeer. Daar komt nog bij dat het ontzettend heet is en een stadswandeling daarom weinig aanlokkelijk is. We besluiten gewoon lekker te lunchen in een restaurant annex internetcafé. Er staat welgeteld 1 computer, die continu bezet is. Die e-mail komt later wel een keer.

Buiten de stad wordt het landschap kaal en rotsachtiger. De terrasbouw is hier op z’n mooist. We stoppen bij een uitzichtspunt over de vallei waar het erg heiig is. In deze streek wordt wijn geproduceerd. De oogsttijd is december/januari, nu staan de ranken er maar kaal bij. We brengen een bezoekje aan een wijnfabriekje (Soavita), waar 250.000 liter wijn per jaar wordt geproduceerd uit 30 hectare druiven. Bij de opslagplaats zijn mensen bezig met het bottelen en met het plakken van etiketten. Er worden 4 soorten wijn geproduceerd en alles wordt met de hand gedaan. Uiteraard mag er ook geproefd worden.

Ambalavao

Het is nu nog maar een paar kilometer rijden naar Hotel aux Bougainvillées, dat zijn naam eer aandoet. Zo’n grote bougainvilles hebben we nog nooit gezien. Het ziet er gezellig en kleurrijk uit. Al bij het binnenrijden van het dorp zien we de voor dit dorp karakteristieke houten Betsileo-balkonnetjes. We krijgen kamer 24 toegewezen en ook hier ziet het er weer prima uit. De accommodatie is veel beter dan dat we verwacht hadden.

We dumpen de bagage op de kamer, bestellen het avondeten en gaan op pad. Dit dorp verdient nadere ontdekking. Ik vergeet in de haast zelfs de sinaasappelen die we vanmorgen gekocht hebben uit mijn tas te halen. Nu is het licht nog mooi, over een uur wordt het donker. Buiten de poort worden we opgewacht door een klein jongetje dat achter ons aan blijft lopen en als een repeteerwekker om chocola vraagt. Als we een keer heel lelijk kijken, kiest hij het hazenpad.

Via een paar mooie straatjes met leuke balkonnetjes, komen we op de markt terecht. Overal worden we begroet, nieuwsgierig aangestaard en in sommige gevallen keihard uitgelachen. Jong en oud doen hieraan mee. Wat ons al diverse keren is opgevallen, is hoe ontzettend vriendelijk de mensen zijn, zonder eigenbelang, en dat terwijl ze zelf niet veel hebben. Heel anders dan in andere landen. De markt, waarvan slechts een deel van de kraampjes bezet is, is zeer uitgebreid. Gedroogde vis, groente, fruit, kleding en afhaalmaaltijden zijn te verkrijgen.

Onvoorstelbaar hoeveel mensen zich op straat bevinden. En dan gaan de vele scholen ook nog eens net uit. We maken her en der een praatje en komen uit in een straat met diverse scholen. De straat is gevuld met uit school komende tieners. Een jongen met een grote bult op zijn hoofd, komt vragen of ik een foto wil maken van 2 meiden en deze dan op wil sturen. Dat wil ik wel. Terwijl we bezig zijn, worden we omringd door wel 20 kinderen. Een van de scholen, zo merken we later, ligt achter ons hotel, waar we ineens weer bij uitkomen.

We organiseren een bouillonnetje, frissen ons op en zoeken de bagage uit voor de komende 2 nachten in Andringita. We kunnen niet alles meenemen, in verband met een brug die we onderweg over moeten. De rest van de bagage blijft hier achter.

Woensdag 21 september

Om 5.00 wordt achter ons huisje al het ontbijt klaargemaakt. Om 5.30 uur wordt de muziek aangezet en weerklinken de “haleluja’s”. Het zal wel een christelijke school zijn. Van slapen is nu helemaal geen sprake meer. Om 6 uur gaan we er volgens goede gewoonte uit. Het is alweer zonnig en blauw. De douche is vanmorgen warm en er komt genoeg water uit om mijn haren te wassen. Om kwart voor 7 zitten we heerlijk in de ochtendzon aan het ontbijt.

De rest van de groep ligt nog op 1 oor. Wij willen graag nog een stukje wandelen door dit leuke dorpje, waar het alweer een drukte van belang is. De laatste schoolgangers worden per pousse-pousse vervoerd, 7 kinderen per karretje is geen uitzondering. Van alle kanten klinkt het “vazaha, vazaha”. Het lijkt wel het eerste woord te zijn dat kinderen leren hier. Als de laatste schoolkinderen uit het straatbeeld zijn verdwenen, blijven alleen de allerkleinsten over, die enthousiast naar ons zwaaien.

De markt is veel groter dan gisteren. Met name de afdelingen kleding, dekens en huishoudelijke artikelen zijn explosief gegroeid. En nog niet alle kramen zijn bezet. Van alle kanten wordt in manden en karren nieuwe koopwaar aangedragen. Aan de rand van de markt is een straatje met naaiateliers. Veelal oude vrouwtjes zitten met hun Singer-naaimachine op straat. Niet arbotechnisch verantwoord, maar ze lijken er weinig last van te hebben. We zoeken een mooi gerimpeld vrouwtje uit, want met al dat aanbod aan mensen wordt je selectief. Ze wil graag dat we een foto naar haar toesturen. Dat zullen we doen.

Helaas is het alweer tijd om te gaan. Bij het verlaten van de markt komen we over de vleesafdeling waar net een groot dood varken wordt gedropt. We kopen wat kleine flesjes water en kuieren terug naar ons hotel. De rest van de groep zit nog te eten. Adrian, de gids die overmorgen met ons mee zal gaan en die een vermelding heeft in de Bradt, zal ons vanmorgen rondleiden in het papierfabriekje achter het hotel. Om 9 uur gaan we op pad.

Het papier dat hier gemaakt wordt, is afkomstig van een boom (avaho) die veel in andere delen van Madagaskar voorkomt. Om logistieke en klimatologische redenen wordt de bast hierheen vervoerd om verwerkt te worden. De bast van de boom, waarvan de blaadjes schijnen te helpen tegen hepatitis, wordt verpulverd, aangelengd, met hamers geplet, tot bollen gedraaid, opnieuw geweekt, waarna het in een bad gaat met een zeef erin. De zeef, waarop de vezels achterblijven, wordt uit het bad gehaald, dan wordt het papier met een mal op het gewenste formaat gesneden, voorzien van een bloemenpatroon en in de zon te drogen gelegd. Het resultaat mag er wezen, de prijzen helaas ook, zien we later in het winkeltje.

Frank is nog niet terug met zijn inkopen, met een boek is het goed toeven in de schaduw op het terras. En er is ook nog lokaal wild te zien, een grote kameleon. Er komen veel terreinwagens de parkeerplaats oprijden en uiteindelijk ook die van ons met de aangekochte kippen. De bagage die niet meegaat, wordt in een kamer opgeslagen en de rest gaat op het dak.

Op de markt stoppen we om dekens te kopen, het schijnt heel koud te kunnen worden vannacht. Iets verderop boven op een heuvel ligt de zeboemarkt, de grootste van het land. De oppervlakte is weliswaar minder groot dan in Antsirabe, er staan wel veel grotere kuddes. Niet alle stieren staan onder appèl, af en toe maakt er zich een los uit de kudde en begint te rennen. Iedereen zet het dan op een lopen, dus doen wij mee. We hebben geen zin om aan een hoorn gespiest te worden. Als de boosdoener weer is gevangen, barst iedereen in lachen uit. We hebben het er niet helemaal op en houden een beetje afstand, zodat we vast een voorsprong hebben.

We verlaten de markt gelukkig helemaal intact en volgen het rode zandpad richting Andringita. Overal kuddes zeboes, aloë vera’s en leuke dorpjes. We lunchen bij een prachtige plek aan de rivier, met uitzicht op de vele bergen en velden, bij een van de houten bruggen die we vandaag oversteken. De stokbroodjes kaas smaken voortreffelijk. We denken alleen te zijn. Uit het niets verschijnen nieuwsgierige toeschouwers. Twintig minuten na de lunch stoppen we voor een wandeling. De temperatuur buiten is veel aangenamer dan in de bus. Het pad loopt langs geïsoleerde huisjes en rijstvelden. Na ruim een half uur worden we weer opgepikt.

Andringita

De volgende stop is het bezoekerscentrum van het park, dat er picco bello uitziet. Hier is de ontstaansgeschiedenis beschreven. Dit park is in 1999 geopend en beschermt de flora en fauna rondom Pic Boby (om het gemakkelijk te maken tegenwoordig Pic d’Imarivolanitra genoemd), met 2.658 meter de op een na hoogste piek van Madagaskar. De charme van dit park is met name te vinden in de landschappen en planten. We hoeven nog maar een half uurtje te rijden, een meevaller. De door het WNF gerunde gîte is prachtig gelegen tussen de bergen met uitzicht op dorpjes. Het veld ervoor is vergeven van de mannen met rieten hoeden (zonder pet, hoed of muts of een combinatie daarvan tel je niet mee). We denken dat ze speciaal voor ons gekomen zijn, maar na een tijdje gaan ze naar binnen en krijgen iets (eten?). Daarna wordt het vlug rustiger.

De gîte ziet er van buiten aardig uit, van binnen valt dat een beetje tegen. Het is goed dat we onze lakenzakken hebben meegenomen, de lakens zijn niet recentelijk in aanraking gekomen met wasmiddel.

Net voor zonsondergang wandelen we een stukje het pad af en worden overal begroet. Niet met “vazaha” of “bonjour” deze keer, maar met “salaam”. Nu het langzaam donker wordt, keren mensen en vee huiswaarts. De dag zit er weer op. Wij doen hetzelfde. Daar krijgen we uitleg over de wandelingen van morgen, een van 6 tot 7 uur en een van 9 uur. We kiezen voor de eerste.

Rond 19.30 uur wordt het eten geserveerd, op vieze borden met weinig fris bestek, rijst met groente en kip (die we op de markt gekocht hebben). Astrid en ik slaan de kip over. Hypocriet, maar gevoelsmatig zit er verschil tussen het vlees dat op een schaaltje ligt als je het koopt, of een beest dat nog geslacht moet worden. De sterrenhemel is helemaal geweldig, mooier dan we die in jaren gezien hebben. Absoluut indrukwekkend. Net voordat we naar bed gaan spot Astrid een rat en Frank een grote kakkerlak op de kamer, dus zijn alle ingrediënten voor een goede nachtrust aanwezig!

Donderdag 22 september

Om 22.00 uur begint het gepruttel in mijn buik en rond middernacht zit ik voor het eerst op de wc. Diarree zo dun als water, erg fijn. De rest van de nacht doe ik geen oog meer dicht en klauter elke uur de steile gladde trap af, ga de piepende deur door en loop in de kou over het balkon. Om 3.00 uur kom ik op het toilet een vrouwtje tegen dat me vriendelijke goedemorgen wenst. Nou, dat gaat nogal. Iedere keer dat ik de kou buiten heb getrotseerd, is het weer een hele klus om warm te worden. Om half 7 uur gaat de wekker. Het ontbijt sla ik over.

Tegen beter weten in besluit ik toch mee te gaan wandelen vandaag. Frank regelt een drager. Dat mag niet baten. Bij het eerste hellinkje naar boven, sta ik al te wankelen op mijn benen. Toch maar terug naar de gîte. Op de terugweg maak ik in het dorpje een paar foto’s (ik ben er tenslotte toch). De dorpsbewoners kijken me maar raar aan. Net langsgekomen, nu alweer op de terugweg. Ik ben precies op tijd voor de wc. Daarna reken ik de drager af (4.000 ariary). Die heeft zijn geld vlug verdiend vandaag.

Om 8.30 uur lig ik weer in bed. Op het weinig comfortabele matras lukt het toch nog een paar uurtjes te slapen. Om half 1 wordt ik wakker. Ik voel me nog steeds zo slap als een vaatdoek, maar verder lijkt het iets beter te gaan. Vanaf het balkon zie ik dat de markt even verderop van enkele kraampjes is uitgegroeid tot een heus spektakel. Daar ga ik even kijken, dan heb ik toch nog wat aan mijn dag. Ik ben de enige “vazaha” op de markt en krijg de volle aandacht. Jammer dat je niet kunt verstaan wat ze over je zeggen. Vooral mijn sandalen worden uitgebreid besproken. Deze markt heeft een streekfunctie, mensen worden af- en aangereden door busjes en auto’s. Ook hier weer veel kleurig geklede mensen, erg mooi.

Terug in de gîte denk ik op het terras te gaan zitten. Dat gaat niet goed, dus ga ik maar weer naar bed. Nu probeer ik het bed van Ron dat toch comfortabeler is dan dat van mij. Met een MP3-speler op mijn oren, val ik weer in slaap. Om 14.30 uur komt de eerste groep wandelaars terug. Het was een mooie tocht, geen beesten gezien, wel mooie landschappen. Twee watervallen hebben ze bezocht, die van de koning (Riandahy) en van de koningin (Riambavy). Deze zijn heilig, er mag niet in gezwommen worden. Als je zwanger wilt worden, is een bezoek aan deze watervallen dé manier. Misschien maar goed ook dat ik niet ben geweest.

Ron had vanmorgen ook diarree en heeft vannacht ook slecht geslapen (mede dankzij mij), dus gaat ook even een dutje doen. Rond half 5 staan we op. De groep van de lange wandeling is dan ook net terug. Ron gaat naar beneden, ik doe nog een poging op het balkon te zitten, m’n stoel staat nog klaar. Rond 18.00 uur eet ik een paar eenhapsbananen en een bouillonnetje. Dat lijkt goed te gaan. We verkassen naar de gemeenschappelijke woonkamer zodra het wat kouder wordt en krijgen gezelschap van Iet, Gretty en later ook van Martine. Als zij gaan eten om 19.00 uur, fris ik me een beetje op met de paar druppels water die uit de douche komen en ga naar bed. Ron volgt niet veel later.

Vrijdag 23 september

Best goed geslapen. Om 1.00 uur gaan we naar de wc. De diarree lijkt overwonnen. We wisselen van bed, want alles doet zeer. Frank heeft z’n biezen (lees: slaapzak) gepakt, zodat we niet nog een nacht naar zijn “bescheiden” gesnurk hoeven te luisteren. Het is sowieso rustig op de gang, een heel verschil met gisterennacht.

Rond 5 uur gaat de wekker. Geen tijd voor in de vakantie, maar we zijn ook wel een beetje blij dat we eruit mogen. We hebben meer dan genoeg tijd doorgebracht in dit bed. De dekens worden achtergelaten, als deel van de fooi. De laatste spullen zijn zo gepakt. Beneden staat koffie en thee klaar met een de voor hier unieke houtskoolsmaak. Ik ga nog een keer naar de wc, een hele verbetering ten opzichte van gisteren. Ook met Henk gaat het wat beter.

Het licht op dit vroege tijdstip is fantastisch. Dit uitzicht zullen we missen. Om 6 uur gaan we rijden. Vandaag zitten wij voorin. Wat een prachtige rit! We stoppen bij een uitzichtpunt over groene rijstterrassen, dat ik op de heenweg ook al gezien heb, alleen is nu het licht mooier. Ik kan hier geen genoeg van krijgen. Vele bruggetjes later komt Ambalavao in zicht. De zeboemarkt ligt er verlaten bij, in het dorp zelf is het spitsuur op straat.

Rond kwart over 8 zijn we bij Aux Bougainvillées. Bij de nabijgelegen kerk is een ceremonie gaande. Helaas hebben we geen tijd om daar onze nieuwsgierige neuzen in te steken. De was is weer schoon, dat mag wat kosten: 35.000 ariary. Het ontbijt is opnieuw uit de kunst; helaas durven we de cake en de omelet die er heerlijk uitziet, nog niet te pakken.

Anjà

Als de bagage herladen is, kunnen we gaan rijden. Het einddoel van vandaag: Ranohira, uitvalsbasis voor het Isalo National Park, zo’n 3 uurtjes vanaf hier. Voor onze tussenstop in Anjà Park nemen we gids Adrian mee, die goed Engels spreekt. Hij is 7 jaar geleden een van de initiatiefnemers geweest voor de opening van dit kleine park. Vroeger was dit een begraafplaats en mochten dieren op dit terrein niet gedood worden. Daardoor is er een grote populatie ringstaartmaki’s ontstaan. Inmiddels wordt hun aantal geschat op 600. We verwachten een soort kale vlakte met maki’s. De vlakte is er wel, echter geen maki te bekennen.

We dalen een stukje af het veld in, wandelen tussen rotspartijen en beekjes met prachtige bloemen en vlinders en ineens zien we 2 maki’s op de rotsen. Wauw! Deze 2 gaan er als een speer vandoor, een klein stukje verderop worden we getrakteerd op een groot makispektakel. Eerst zitten ze nog hoog in de boom, maar ze komen steeds dichterbij, totdat ze ongeveer bij je voeten zitten. Doordat er nooit op gejaagd is, zijn ze niet bang voor mensen. Adrian lijken ze goed te kennen, bij hem komen ze zelfs op zijn schouder zitten. Wat een topgelegenheid om deze dieren van dichtbij te bekijken. Alles aan ze is leuk: hun staart, hun eigenwijze kopjes, hun sprongen. En wat het nog leuker maakt, is dat er babymaki’s zijn. De oudste is 20 dagen, de jongste zo’n 15. Als we dat eenmaal gezien hebben, zijn de ringstaarten zonder baby niet langer interessant. Superschattig, zo’n moeder met een kleine op haar buik, die ook al een heel klein ringstaartje heeft.

Er worden ook kameleons gesignaleerd, maar het merendeel van de groep heeft enkel interesse in de halfaapjes. Te snel moeten we alweer vertrekken. Via een andere route lopen we terug naar de ingang. We zien nog enkele hagedissen en kameleons, waarvan Ron er zelfs een eerder ziet dan de gids. Misschien dat we maar een lemen huis moeten kopen met uitzicht op de rijstterrassen en Ron gids moet worden.

De rit van vandaag is minder interessant. Het eerste stuk maakt eigenlijk niemand bewust mee. De combinatie zon en vroeg opstaan, blijkt funest. Even een dutje doen. Het wordt buiten steeds droger, een soort savannelandschap. Bomen en dorpjes zijn er nauwelijks meer en op veel plaatsen is de grond zwartgeblakerd. Her en der staat ook nu nog landbouwgrond en bos in brand, waarschijnlijk om de grond vruchtbaarder te maken. Goed voor de ontbossing.

We lunchen in Isohy, een plaats op 70 km van onze eindbestemming. We mogen op het terras van het restaurant onze broodjes opeten als we wat te drinken bestellen. We ploffen neer en krijgen bezoek van een paar katten die het op onze lunch voorzien hebben. De mijne mogen ze hebben, ik heb niet echt trek. Ron, die zich verheugd had op een stokbroodje kaas, is teleurgesteld met zijn zeboesandwich. Groentesoep staat ’s middags helaas niet op het menu. Ik vraag in plaats daarvan heet water voor een bouillonnetje. Zoals zo vaak in dit land, komt het water op het moment dat je denkt dat ze het niet hebben (of misschien heb ik gewoon te weinig geduld). Dat smaakt best.

Isalo

Het vervolgtraject naar Isalo is weinig boeiend. Onderweg zien we een slang van ongeveer 1 meter. Hary kan hem nog net ontwijken en stopt zodat de liefhebbers een foto kunnen maken. We hebben pech, de jeep achter ons rijdt dwars over hem heen. Ron gaat nog kijken, maar voor reanimatie is het te laat. Het verlangen naar een verfrissende douche en schone kleren neemt hand over hand toe. Ons hotel, weer huisjes (of, zoals ze het hier noemen “bungalows”, dat klinkt chiquer), heet Le Joyau de l’Isalo.

Hoera, er komt water uit de kraan. Na een douche voelen we ons weer zo goed als nieuw. In de bar bestellen we een drankje en begin ik mijn tweede shopexpeditie bij de o zo vriendelijke verkoopsters.

Een onderzoekstocht naar wat er toch in dat hok zit achter ons huisje, geiten, levert een jurk vol pikkende zaadjes op. Die kan ik er handmatig af gaan peuteren, een klus waarop ik met niet echt verheug. Dat krijg je ervan als je te nieuwsgierig bent.

Zaterdag 24 september

Heerlijk geslapen vannacht. Sinds gisteravond geen kakkerlakken meer gezien. Om 5.30 uur gaat de wekker, een half uur later staat het ontbijt klaar. Alle zieken zijn weer opgeknapt. Ik voel me ook weer prima.

We wandelen vandaag met z’n allen. Gisteren heeft Frank in overleg met Momo Trek een route samengesteld die voor iedereen goed te doen zou moeten zijn en die toch langs een aantal bezienswaardigheden voert. Er is ook een lange wandeling van 18 kilometer naar de Canyon des Singes, die vandaag in verband met de warmte wordt afgeraden. De geschatte temperatuur vandaag: 34 graden. Er gaan dragers mee voor extra water.

Iets voor zevenen staan we bij het ticket office. Daar pikken we ook de gidsen op, 1 die Engels spreekt en 3 trainees die enkel Frans spreken. In het dorp is een kleine markt, de winkels zijn nog gesloten. Zodra de kaartjes bemachtigd zijn en de flessen water geladen, kunnen we op pad. Hary rijdt ons naar het beginpunt van de wandeling, een parkeerplaats tussen de velden. Vanaf hier is het 3 kilometer lopen naar het Piscine Naturelle.

Het eerste stuk gaat omhoog. Daarna wordt het vlak, zeggen de gidsen. Waar hebben we dat meer gehoord? Deze keer blijkt het te kloppen. En het pad is nog goed begaanbaar ook. Vanaf het begin zijn de uitzichten prachtig. Een van de gidsen kletst vrolijk tegen mij aan. Hij is blij iemand gevonden te hebben die Frans spreekt. Hij vertelt onder meer dat dit het drukst bezochte park is (ook dat hebben we meer gehoord) met een bezoekersaantal van 150 per maand in de topmaand augustus. Van die drukte is vandaag in ieder geval niets te merken.

Het park is 180 bij 25 kilometer groot en er komen een aantal endemische planten en dieren voor. Dit is het gebied van de Bara, veedrijvers. Als ik mijn gids vraag of hij ook Bara is, moet hij lachen. Niet echt een compliment, geloof ik. Boven op de berg laten de gidsen de tijdelijke en definitieve graven van de Bara zien. De tijdelijke graven bevinden op de grond, daar liggen ze 5 jaar totdat ze naar hun definitieve rustplaats hoog tussen de rotsen worden gebracht. Je hebt niets meer aan het uitzicht als je dood bent, maar toch leuk.

De volgende bezienswaardigheid is de botanische tuin. Tuin is een groot woord voor een rots met olifantsvoet (pachypodiom rosulatum) erop, een lage plant die lijkt op een mini baobab met gele bloemetjes. De vorm van de plant laat zich gemakkelijk raden… Aan diverse heren te zien, is de beste manier om deze plant te fotograferen, plat liggend op je buik, bijna nog een leuker gezicht dan de plant zelf.

Bij een uitzichtspunt over de kloof stoppen we opnieuw. Beneden kun je de piscine naturel al zien liggen, dat wil zeggen de palmen eromheen. Daar gaan we op af. De piscine is turkoois van kleur, idyllisch gelegen tussen de palmbomen en voorzien van een klein watervalletje voor de “finishing touch”. Bijna te mooi om waar te zijn. We lopen naar beneden vanwaar het mogelijk nog mooier is. Jornt ligt er natuurlijk als eerste in en amuseert zich met bommetjes, het beklimmen van de waterval en een hergeboorte door een gat in de rotsen. Ron hijst zich ook in zijn zwembroek en neemt een plons.

Als de heren (en enkele dames) zijn uitgepoedeld, vervolgen we onze tocht. We wandelen het eerste deel van de volgende 4 kilometer over de vlakte. Daar zien een paar mini-schorpioenen, die onder een steen vandaan getrokken worden, een slangetje maatje XS en een aloësoort die helpt tegen brandwonden (aloë isaloensis). De wandeling eindigt met een afdaling over een veel te lange trap het woud in, naar een camping. Nu wordt het steeds warmer. Het ochtendprogramma zit erop.

Dit is een ontzettend gave locatie voor een camping, die enkel te voet bereikbaar is. De bruine lemuren en ringstaartmaki’s springen zo ongeveer om je oren. Ook vogels en vlinders zijn er in overvloed. Wat helemaal leuk is: de voorbereidingen voor onze lunch worden al getroffen. Sterker nog, er is een heel kookteam aanwezig om voor ons een heerlijk maal te koken: macaroni met tomatensaus, gestoofde groente,gemarineerde zeboespiesjes. We kijken geïnteresseerd toe hoe alles wordt gesneden en in grote pannen verdwijnt (altijd leuk om andere mensen te zien werken!). Gesproken wordt er nauwelijks, iedereen weet precies wat hem of haar te doen staat.

De lemuren komen steeds verder naar beneden. Ze zijn waarschijnlijk nieuwsgierig of er bij ons wat te halen valt. Een van de bruine lemuren heeft een jong, ze laat het alleen niet zo goed zien. Ook deze keer maken we weer veel foto’s. Wat een leuke beesten. De lunch voldoet absoluut aan onze verwachtingen. Heerlijk na een paar dagen weer eens lekker eten. Als we zijn uitgegeten, lopen we naar de waterval, slechts 600 meter verderop. Ze hebben er niet bij verteld dat je veel trapjes moet beklimmen. En dat met een volle maag en op het heetst van de dag. Ik word door een van de gidsen “mora mora” (heel rustig) naar boven begeleid naar de Cascade des Nymphes, waar het een drukte van belang is.

Nu moet ik het hele stuk weer terug. Ron helpt me door het moeilijkste deel, daarna neemt een gids het over, zodat Ron de anderen achterna kan naar de poeltjes (lac bleu en lac noir), 1,5 kilometer vanaf het hoofdpad. Ik had al besloten niet meer verder te lopen, maar kan het toch niet laten. Met behulp van mijn gids, klauter en glijd ik door een prachtig groene omgeving naar de meertjes. Helemaal plakkerig kom ik aan. Het is wel zeer de moeite waard. Ron ligt dan net in het lac noir, dat zwart lijkt omdat het zo diep is. Achter een rots kleed ik mij om. Het water is ontzettend koud. Daar frist een mens van op. En dan het uitzicht…

Tijdens de terugtocht is het al een stuk afgekoeld. Dan gaat het een stuk sneller, en blijft er tijd over om nog wat foto’s te maken. Net voor de camping treffen we een groep ringstaarten die op dit moment van de dag erg actief zijn. Ook de bruine lemuren zijn aan de wandel. Een supereinde aan een superdag. We lopen nog 20 minuten en daar is ie dan … de bus. We rijden langs Momo om een bestelling te plaatsen voor vanavond. Dan terug naar het huisje, waar een heerlijke koude douche en schone kleren wachten. In tegenstelling tot gisteren zitten er nu tientallen, zo niet honderden muggen. Ron wordt hier erg agressief van en mept wild om zich heen. Niet dat dat zin heeft.

Om 19.00 uur staat de bus klaar om ons naar Momo te rijden. De groentesoep is heerlijk en wordt vergezeld van live-muziek, verzorgd door het kookteam en de gidsen van vanmiddag. Multifunctioneel personeel. De zeboesteak is rauw, dus moet terug. Daarna is het beter. Het toetje hoef ik niet meer, ik wil alleen nog naar bed. Hary is al weg. Hij moet ons morgen wegbrengen en dan naar terug naar Fianar, dus moeten we lopen. Een groot deel van de groep wandelt mee. Terug in ons huisje laten we de klamboes neer (die van mij moet vervangen worden door die van bed nr. 3, omdat er een groot gat in zit), sprayen we DEET over het hele laken, steken de anti-mugwierrook aan. Dan gaat het licht uit. Eens zien of de muggen daarvan terug hebben.

Zondag 25 september

Om half 6 worden we wakker. Vannacht om 1.45 uur een keer wakker geworden van buurman Marc die jolig over het terrein loopt. Hij komt zelfs bijna bij ons binnen. Het duurt even voordat ik weer in slaap val. Van de muggen hebben we verder geen last meer. Iets voor zessen gaat de lamp aan. Ik moet mijn tas nog helemaal inpakken. Wat een rotzooi op de kamer. Thuis altijd zo georganiseerd, maar op vakantie word ik soms moe van mezelf. Voor Ron geldt het omgekeerde.

Het ontbijt is vandaag uitgebreider dan gisteren: een stokbroodje ei, sap, thee, chocoladebroodje en fruit. Het broodje valt erg zwaar, ik word er bijna misselijk van. Toch maar weer een plekje vooraan in de bus. Terwijl we wachten op Frank en Marc (Belgen en drinken, dat gaat ook niet samen) worden we geobserveerd door een mevrouw met opgestoken vlechtjes (een van de creatieve kapsels die je zo tegenkomt onderweg) met een baby op haar rug. Goed beschouwd, heeft eigenlijk bijna iedere vrouw een baby op de rug.

We vertrekken voor het eerst te laat, maar liefst 5 minuten. Al na een paar honderd meter rijden stoppen we. “Ik geloof dat Hary wil dat we een stukje gaan lopen”, zegt Frank, die vandaag minder scherp is dan we van hem gewend zijn. Nou dat doen we dan maar, het is tenslotte zijn laatste dag. We lopen tussen de rotsen van het Isalo Park, waarvan er sommige een naam hebben gekregen. Een van deze rotsen heet de koninginnerots. Wat een fantastische uitzichten. In het droge landschap ontdekt Ron een kleine plant met meloenvormige vruchten, die lijken op vruchten die we in de Sossusvlei in Namibië hebben gezien. Wonderlijk dat op zo’n droge grond überhaupt iets kan groeien.

Waar het Isalo Park ophoudt, begint de streek waar de saffieren worden gevonden. De bouw van de huizen is ineens heel ander, het verschil tussen arm en rijk erg groot. Hier zien we de soberste huisjes tot nu toe, niet veel groter dan een 2-persoonstentje. Door het geld dat met de saffieren te verdienen valt, waarvan iedereen een graantje mee wil pikken, schijnt de sfeer nogal grimmig te zijn. We merken daar niets van, want we stappen niet uit. Alle winkels hebben een naam met op de een of andere manier het woord “sapphire” of “gem” erin verwerkt. In de rivier wordt gezocht naar nieuwe stenen. De saffierhandel komt slechts in beperkte mate ten goede van de lokale bevolking, zij mogen niet met groot materieel zoeken.

Het rotsachtige landschap gaat langzaam over in grasland en de eerste baobab wordt gezien. Er zullen er nog vele volgen. Vooral de hele dikke vinden we erg mooi. Dit is nog steeds de streek van de zeboes, grote kuddes zwerven over de vlaktes, afgewisseld door kuddes geiten. Het is een erg arm gebied, het meeste geld in de dorpjes lijkt in de kerken geïnvesteerd te zijn. En in de graven, waarvan we al rijdende prachtige exemplaren zien. Bij een daarvan stoppen we. Helaas is het fady om foto’s te maken. Dit graf is van een hoge politieambtenaar, die in 2003 overleden is op 76-jarige leeftijd. Het bedrag dat het graf gekost heeft, is gemakshalve op de gedenksteen vermeld: 6.000.000 ariary. Een flinke uitgave. De buitenmuurtjes van het graf zijn kleurrijk beschilderd met taferelen uit het leven van de overledene. In de ruimte tussen het feitelijke graf en de buitenmuurtjes liggen grote stenen met zeboehoorns. Er staan ook een soort totempalen. Dan het feitelijke graf, daar kun je de kist in zien liggen. Een man met een speer komt kijken of we echt geen foto’s maken of misschien omdat hij gewoon nieuwsgierig is. Wie zal het zeggen?

Onderweg zien we nog een begrafenisstoet in the middle of nowhere en de eerste wegwerkzaamheden: de weg bij een brug is afgezet met pionnen en er worden handmatig strepen op de weg geschilderd. Gemotoriseerd verkeer is er nauwelijks, de zeboekar is het meest gebruikte vervoermiddel. Daar kan werkelijk alles mee vervoerd worden, tot hele boten aan toe. Onze bus begint rare geluiden te maken tijdens het schakelen, die ook Hary niet helemaal vertrouwt. Hij stapt een keer uit en kijkt een keer onder de bus en onder de motorkap. Op goed geluk rijden we door.

Tegen lunchtijd zien we voor het eerst de zee. Het is nu niet ver rijden meer naar Tuléar, waar we de binnenplaats oprijden van Chez Alain, een mooi restaurant met een schaduwrijke tuin. Daar zijn we aan toe met een temperatuur van ruim 30 graden in de bus. Het stokbroodje gerookte vis is ontzettend lekker. Marc bedankt Hary namens de groep voor zijn goede zorgen en overhandigt hem zijn fooi. Ook in deze stad zijn we weer midden op de dag, dus alle winkels zijn gesloten.

Het is nu nog 1,5 uur rijden naar Ifaty. De weg waar we op rijden, is ook een route national, de kwaliteit laat ernstig te wensen over. Het schijnt ook geen zin te hebben het asfalt te herstellen, omdat het door het zand toch weer wordt afgebroken. Het gebied waar we doorheen rijden, is fantastisch. We zien het voor deze streek typerende stekelwoud, mangrovebossen en mooie brede zandstranden. We passeren voornamelijk zeboekarren, en enkele vrachtwagens, die, zoals gebruikelijk in dit land, zo zwaar geladen zijn dat ze nauwelijks vooruit komen. In de dorpjes veel mensen en grote varkens, toch wel een zeldzaamheid in het land. Ondanks het mooie landschap, zijn we blij als we het bord “Magali Hotel” zien. Wat een hitte in de bus.

Ifaty

Via een oprijlaan bereiken we de binnenplaats. Hier houden we het gemakkelijk een paar dagen uit. De eigenaar, een Fransman, komt ons halen voor een welkomstdrankje met voornamelijk ananassap in het restaurant met zeezicht. Het echte vakantiegevoel maakt zich van ons meester. We krijgen uitleg over de mogelijke excursies: snorkelen (met of zonder lunch), duiken en het spiny forest. Alles wordt bijna foutloos (hier en daar een vergissinkje van een uur) vertaald door Frank, die de alcohol nog steeds in zijn systeem lijkt te hebben. Gelukkig zijn we zelf wel wakker.

We krijgen de sleutel van een huisje met zeezicht. Zodra we onze spullen hebben neergelegd, lokt de zee. Het water is zelfs warm. Enige minpuntje is het vele zeewier tussen je tenen. Ron gaat zijn snorkel halen om de onderwaterwereld aan een nader onderzoek te onderwerpen. Hij ziet daarbij een paar vissen, niets spectaculairs. We drogen op in de zon, waar we worden belaagd door vrouwen die sarongs of kettingen willen verkopen of ons met allerlei smeerseltjes willen masseren.

In de bar drinken we wat, daarna wandelen we een stukje het strand op, op zoek naar lokaal leven tussen al die ressorts. Inmiddels heeft de temperatuur weer een aangenaam niveau bereikt. Er lopen een paar krabbetjes over het strand en we zien prachtige schelpen, die helaas in veel gevallen nog bewoond worden. De pirogues (lokale vissersbootjes) zijn erg decoratief in het avondlicht. Op de terugweg zien we enkele grote aangespoelde vissen. Het is vloed aan het worden, het strand wordt steeds smaller.

Vanaf ons terras genieten we van de zonsondergang, onze eerste deze vakantie en nog een mooie ook. Langzaam verdwijnt de oranje bol in de zee.

Maandag 26 september

Vanmorgen uitgeslapen tot 6.30 uur. Na het aan de wandelstok rijgen van 2 kakkerlakken, hebben we voor zover bekend geen nachtelijke bezoekers meer gehad. Ik plof op het strand, Ron gaat op ontdekkingstocht. Hij had graag gisteren ook foto’s gemaakt van de vissersbootjes op het strand, maar had toen zijn camera niet bij zich. Nu zijn alle bootjes uitgevaren. Totdat de eerste massagedame een goed gesprek met ons aan wil knopen, is het heerlijk rustig op het strand. Lekker met je voeten in het koele zand naar de kabbelende golven staren.

Het ontbijt is erg basic: droog stokbrood met een beetje jam. Daar hadden we meer van verwacht. De huispapagaai die gisteren al menig reisgenoot heeft gebeten, is ook weer present.

We pakken onze spullen voor de trip van vanmorgen: snorkelen, met daarna een lunch op het strand. We delen de boot met Martine en Raymond, in de andere boot zitten Marc, Jeanette, Jornt en Ilona. De boot met zijligger is erg stabiel, de houten plankjes hadden iets breder mogen zijn. Dit zit toch niet echt lekker. In een rustig tempo kiezen we het ruime sop, waarna het zeil wordt gehesen. Behendig manoeuvreren “onze” jongens de boot heen en weer, lekker relaxt zo’n stukje varen.

We zijn niet alleen op het water, om ons heen vele vissersbootjes. De vissers van de verschillende bootjes roepen naar elkaar of naar de vissen. “Woohoo” klinkt het van alle kanten. Het lijkt een beetje op het geluid dat mensen in een achtbaan maken die te hard gaat. De vissers vissen op een creatieve manier, die we nog niet eerder gezien hebben: met een duikbril kijken ze onder water waar iets te halen valt en daar gaan ze vervolgens op af. Een van de vissers heeft in ieder geval beet, die mept enthousiast op een inktvis in, die vervolgens weer uit zijn handen glipt en het water in verdwijnt. Gelukkig voor hem kan hij de buit toch weer binnenhalen.

Het water blijft lang ondiep en heeft veel verschillende blauwtinten. We speculeren waar we heen gaan, dat blijkt steeds niet te kloppen. De schippers speuren links en rechts naar de locatie die ze voor ogen hadden. Die wordt uiteraard gevonden. De eer is aan Jornt om te onderzoeken of het water diep genoeg is om erin te springen. Dat blijkt het geval. Het koraal is niet in al te beste conditie en over het algemeen erg grauw van kleur: af en toe springt er een klein stukje kleurrijk koraal uit. De vissen maken het meer dan goed. Wat geweldig toch, zo’n kijkje onder water. We zien onder meer grote blauwe zeesterren, fluorescerend blauwe visjes, zebravissen, gele vissen met een paarse kop en, deze heb ik nog nooit gezien, vissen met een zilvergrijze kop, dan een witte band, een zwart achterlijf en een bruine staart. Je kunt wel merken dat deze vissen dagelijks voor hun leven te vrezen hebben, ze blijven zo ver mogelijk bij ons uit de buurt.

We dobberen een uurtje rond en gaan dan weer aan boord. Hier hebben ze een handige manier voor: op je rug in het water gaan liggen, benen over de rand van de boot leggen, en je wordt zo aan boord getrokken. De paar extra krassen die je hierbij oploopt, nemen we op de koop toe, die passen leuk bij die andere schrammen en blauwe plekken. We varen terug naar een strandje, dat verder ligt dan waar we gisteren zijn geweest. Hier zijn ook andere toeristen afgezet, ieder op hun eigen zeil, dat als handdoek dient.

We hebben een prima schaduwrijk plekje. De crew bereidt een maaltijd voor ons: gegrilde en gekookte vis met rijst. Geen feestmaal, maar best wel te eten. Net voor de lunch worden de heren (en Jeanette) op pad gestuurd om drankjes te gaan halen. Er schijnt een bar te zijn ergens achter het strand. Hadden we dat maar eerder geweten! Onze boot is direct na aankomst vertrokken, maar komt er in de verte alweer aan. Dat komt goed uit, we willen zo onderhand graag weer terug. Om het proces te versnellen, peddelt Ron mee. De andere boot ligt voor, dat laten we natuurlijk niet op ons zitten. Ook Raymond is hier erg blij mee, hij krijgt een flinke plas water over zich heen. Het lukt ons de andere boot in te halen, de parasolletjes van het hotel zijn dan al in zicht.

Rond half 4 zijn we terug. We dachten dat de zeboekarren om half 5 zouden vertrekken, dat is dus half 4. De anderen staan al klaar voor vertrek. We leggen vlug de spullen weg en gaan meteen weer door. Een drankje tussendoor zou lekker zijn geweest. Er zijn 2 zeboekarren, waar we met z’n vijven per kar op de rand moeten gaan zitten. Met de afdruk van de houten plankjes in de boot nog in ons achterwerk, weinig comfortabel. Degenen die voorop zitten, hebben nog een extra attractie. Bij hen vliegt af en toe de koeienmest om de oren. Degenen die niet meer in de kar passen, hebben het meeste geluk. Die mogen lopen. We rijden naar de rand van het dorp en dan het spiny forest in, vernoemd naar de grote pikkende struiken die kenmerkend zijn voor dit gebied. Ertussen staan baobabs in alle soorten en maten. Daar moeten ook de wandelaars eraan geloven, er staat al een zeboekar klaar.

De reden dat baobabs niet gekapt worden, is dat de stam zoveel vezels bevat dat het hout niet voor verdere verwerking geschikt is. Vinden wij niet erg. De gids vertelt dat heel lang geleden (net een sprookje) de baobab de mooiste boom was. Daar waren de goden niet blij mee, vandaar dat ze ze allemaal op hun kop hebben gezet. De wortels van de baobab reiken net zo diep als de stam hoog is, zo wordt ons vertelt. Het lijkt me sterk.

We karren weer een stukje verder en lopen daarbij de nodige krassen en blauwe plekken op. Bij de grootste baobab, met een omtrek van stoppen we nog een keer. De boom is nauwelijks mooi te noemen, wel bijzonder. Aan de zijkant zijn er stokken ingeslagen om er boven honing uit te kunnen halen. Ook zijn er ook lokalen geweest die onder invloed van drugs het briljante idee hadden opgevat om in deze boom te gaan wonen. Ze waren al bezig de poort uit te hakken, toen hiervoor een stokje gestoken werd.

Dit is het eindpunt van de reis. Wij vinden dat niet erg, alles doet pijn. Inmiddels zitten we met z’n zessen in de kar. Ilona is er bij gekomen. Er is namelijk. een kar waarvan de zeboes dienst weigeren. Via het dorp rijden we terug. Net voordat we de binnenplaats oprijden, gaat onze zeboe er in galop vandoor en ramt bijna een boom. Het loopt goed af. Marcel is nog precies op tijd voor de zonsondergang die hij gisteren gemist heeft. Frank ligt helemaal in een deuk als hij ons de bocht om ziet komen. Geen beter vermaak dan leedvermaak!

Onder de douche spoelen we het zout en het stof van ons af. Om kwart voor 7 gaan we naar het restaurant voor het buffet. We hebben toch alweer aardig trek gekregen. Aan het eten wordt nog gewerkt, in plaats daarvan hebben we live-muziek, wat bijeengeraapte zelfgemaakte gitaren en een paar meiden die met hun kont schudden, bijna zonder de rest van hun lichaam te bewegen. Daar moet je Afrikaans voor zijn.

Dinsdag 27 september

Ron vertrekt om half 6 op vogeltocht in het stekelwoud, met Frank, Gretty, Iet en Ilona. Ik twijfel nog even, maar lig te lekker.

Ron kwam om half 9 terug, hij is erg enthousiast. Vanaf het dorp is een vogelaar meegegaan die van alles kon vertellen over de soorten die hier voorkomen. De meest bijzondere (die we gisterenavond ook hebben gezien) is de ground roller. Daarnaast zijn de volgende soorten gezien:

- Magpie Robin;

- Swimanga sunbird;

- Madagascar hoepoo;

- Madagascar coucal;

- Common Jerry;

- Crested coua

- Vasa parrot;

- Greencapped coua;

- Longtailed ground roller;

- Common newtonia;

- Lafresnay vanga;

- Greyheaded lovebird;

- Madagascar buzzard;

- Charbert’s vanga;

- Black kite;

- Sicklebilled vanga;

- Archbolds newtonia;

- Madagascar bee eater;

- Namaqua dove.

We ontbijten (hetzelfde krokante brood van gisteren met jam met daarin bijen) en nemen een verfrissende duik. Het water lijkt inderdaad minder warm dan gisteren. Wat een luxe slechts met z’n 3-en (buiten ons ligt alleen Marc erin) in deze eindeloze zee. De massagedames doen ook vandaag weer hun uiterste best om klanten te werven voor een massage. Deze keer hebben ze succes. Eerst Martine, later gaan ook Jeanette en Marc overstag. De grote zwart met gele vlinder die we al sinds Tulear met de camera achtervolgen, fladdert weer voorbij. Ze vertikken het alleen om een keer ergens rustig te gaan zitten.

Als we zijn opgedroogd, gaan we naar de kamer om te douchen en de spullen te pakken. Dat kost toch iedere keer meer tijd dan je denkt. De lunch smaakt niet bijzonder. Ik ben een beetje misselijk, ei doet daar niet veel goed aan. Ron voldoet de rekening die keurig uitgeprint klaarligt, dan zijn we klaar voor vertrek. Waait aan zee nog een verkoelend briesje, aan de andere kant van de duin is het bloedheet. Er zijn twee busjes gearriveerd, een witte en een rode. We nemen de witte, waar gezellige Franse chansons worden gedraaid, die door de oudere jongeren onder ons enthousiast worden meegezongen. De terugrit verloopt voorspoedig. We hebben minder last van de kuilen en bulten in de weg. We doen nog 'n fotostop om het af te leren, bij het mangrovebos.

Bij het vliegveld regelt Frank een groepsincheck. De bagage en onze paspoorten worden totaal niet gecontroleerd. De bagage die door is, wordt aan de andere kant van de deur meteen op karren geladen. Efficiency ten top. Het is er druk, zeker 95% van de passagiers is toerist. We zoeken buiten een rustig plekje in de schaduw. Als een luid alarm klinkt, is dat het teken dat het vliegtuig niet ver weg meer is. De crew wordt opgeroepen stand-by te staan. Het laden en lossen gaat erg snel en we kunnen boarden. Ik heb geluk, er is nog 1 plekje vrij bij het raam. In het uurtje dat we vliegen, krijgen we een goed overzicht van Madagaskar: veel kale bergen, af en toe een bos (waarschijnlijk een nationaal park), een rivier en wat dorpjes. Boven Tana is het bewolkt. Een geweldig gezicht die wolken, in combinatie met de rijstterrassen en de ondergaande zon.

Périnet (Andasibe)

We worden tot onze verrassing opgehaald door Hary. Zo neem je afscheid, zo is ie er weer. We rijden vanavond naar Andasibe, 150 kilometer van Tana, oftewel 4 uur. Tana is nog wel leuk om doorheen te rijden (markten, winkels met kaarsjes in het raamkozijn, veel mensen op straat), daarna wordt het minder. Het is pikkedonker, dus we hebben geen idee waar we rijden. Iedere keer dat we dreigen in slaap te vallen, gaat het grote licht aan voor een politiecontrole. Zouden ze niets beters te doen hebben? Door de vele bochten in de weg, wordt ik misselijk. Ik ben dan ook blij (en vele anderen met mij) als we de oprijlaan van hotel Feon’ny ala oprijden. Hè, hè, we zijn er.

Woensdag 28 september:

Als we wakker zijn en buiten staan, klinkt de roep van de indri indri, de grootste lemuur (staand ongeveer een meter). Het is een indrukwekkend gegil zo vroeg op de ochtend. Het is hun manier om met elkaar te communiceren en hun territorium af te bakenen. Ons hotel ligt tegen het park aan. Ron denkt dat 1 familie zo dichtbij zit dat hij ze met een verrekijker kan zien. Dat is natuurlijk niet zo.

Na een vers stokbroodje in het drukke restaurant van het hotel, rijden we naar de entree van het park, zo’n 1,5 kilometer verderop. Met zo’n 300 bezoekers per dag is dit een druk bezocht park. Ook vandaag zijn we niet alleen. Périnet is eind jaren ´90 samengevoegd met Mantadia, dat 20 kilometer van Andasibe ligt en vormt sindsdien het Andasibe Mantadia National Park. In het regenwoud, dat op een hoogte van 900-1000 meter ligt, kun je verschillende soorten lemuren zien, vogels en reptielen.

Er zijn twee wandelingen mogelijk: een van 1,5 uur en een van zo’n 2.5 uur. In verband met darmproblemen gaan we voor de korte. Jos gaat met ons mee. Als het goed is, zullen we ongeveer dezelfde dingen zien. Onze gids is een grappig klein vrouwtje met een douchemuts, zodat haar kapsel niet nat wordt en in model blijft. Ook vandaag regent het, maar veel minder dan gisterenavond. We gaan met regenjas en broek in de sokken i.v.m. bloedzuigers op pad. De temperatuur is aangenaam, veel minder benauwd dan in Ranomafana.

Door het bos is een goed begaanbaar pad aangelegd, een meevaller. We krijgen uitleg over de medicinale werking van diverse planten en zien kleine kikkertjes, die zich ophouden in de aloëplanten. Door de regen is het overal mooi groen. In dit bos komen wilde amaryllis voor. Ineens zien we een groepje mensen met camera’s gericht naar boven. Daar zit er een: een indri indri. Wat een gaaf beest! We bevinden ons in het territorium van een familie, die doorgaans bestaat uit 4-6 dieren. Er leven ruim 60 van deze families in het bos.

Deze familie bestaat uit 4 dieren, er was ook nog een dochter, die is “ontvoerd” naar een andere familie. De indri’s trekken zich niets aan van onze aanwezigheid, ze eten en springen gewoon verder. Die sprongen zijn indrukwekkend: met een sprong kunnen ze een afstand van zo’n 10 meter overbruggen. Door onze gids worden we telkens naar een plek gebracht waar we ze het beste kunnen zien. Onze ochtend kan niet meer stuk.

We wandelen rustig terug naar het bezoekerscentrum en zien onderweg nog een zwarte termietenheuvel. De gids vertelt dat dit ooit het territorium was van een slang, die door de termieten zoveel insecten gevoerd kreeg, dat hij doodging. Vervolgens diende hij als feestmaal voor de termieten en maakten ze op die plaats hun heuvel. Het is niet duidelijk of dit de juiste versie van het verhaal is, onze gids spreekt niet vloeiend Engels en de rest van de groep heeft een hele andere versie van dit verhaal gehoord. Zo gaat dat trouwens vaak. Als je twee gidsen hetzelfde vraagt, kun je twee volledig verschillende antwoorden krijgen.

Om 11 uur zijn we weer terug bij het bezoekerscentrum. We drinken wat op de het nabijgelegen terras en spotten enkele kameleons. Niet veel later komt de tweede groep terug en om 12 uur zijn we weer compleet en kunnen we vertrekken. Bij het hotel wordt de bagage geladen en lunchen we (stokbroodjes kaas). Het smaakt me helemaal niet. Gelukkig zijn er altijd liefhebbers.

Na de lunch rijden we naar de Vakona Forest Lodge, een ontzettend luxueus oord met een privé-reservaatje. Het reservaat is ongeveer 6 jaar geleden opricht met één bruine lemur. Inmiddels hebben veel lemuren die als huisdier werden gehouden, hier een goed tehuis gevonden. Ze hebben 3 soorten lemuren: de bruine (veel!), een diademed sifaka, 3 black and white ruffed lemuren. De lemuren wonen op een eiland dat enkel per kano te bereiken is. We worden per 3 overgezet. De bruine lemuren komen meteen af op de banaan die onze gids heeft meegebracht. Deze zijn ook het meest brutaal. Ze springen zelfs op je schouder. In het begin is dat leuk, later wordt dat minder.

Als de sifaka ten tonele verschijnt, is de aandacht meteen afgeleid van de bruine lemuren. Wat een schoonheid. We wandelen een stukje langs de rivier, tot de zwart - witte lemuren. Een van hen laat zich aaien, een superzachte vacht. De overige eilandbewoners komen ook de kant van de rivier op, de banaan achterna. De bruine lemuren zijn heer en meester op dit eiland, de andere zijn weliswaar groter, maar gaan ze graag uit de weg.

We rijden een stukje verder naar de krokodillen. Deze worden puur gehouden ter vermaak van de toeristen. Er zijn er zo’n 30, in de leeftijd van 12-14 jaar. Qua grootte weinig indrukwekkend. De regen maakt dit uitje weinig aantrekkelijk. We lopen door over een hangbrug. Daar staan een paar hokken, o.a. met de fosa, het grootste roofdier van dit land, een bruin beest dat van voren op een marterachtige lijkt en van achteren op een kat.

In de regen beginnen we aan de terugtocht, die zo’n 4,5 uur in beslag zal nemen. Ik verheug me er niet op. Het voordeel t.o.v. de reis van eergisteren is dat we nu een beetje om ons heen kunnen kijken. De huizen zijn veelal van hout in dit gebied, de landschappen vol met rijstterrassen en bergen, vrij leuk om naar te kijken. Verkeer is er nauwelijks, behalve vrachtwagens. Daar zijn er overigens wel erg veel van. Pas buiten Tana sluiten we aan in de file. Het kost ons ruim een uur om bij het hotel te komen, hetzelfde waar we de eerste nacht ook hebben geslapen. In de stad vonden we het al verdacht donker, hier is dat helemaal het geval: de stroom is uitgevallen en er is geen aggregaat. Niet echt handig nu enkele mensen, waaronder ik, met spoed op zoek zijn naar een wc en alle kamers ook nog eens op slot zitten. Net op tijd hebben we een sleutel van een kamer.

Tot het eten hang ik op de kamer. Haley heeft eten geregeld, zonder dat dit met Frank is besproken. Hij is hier niet blij mee, maar eigenlijk is het ook wel gemakkelijk. Tijdens het eten laat Frank op zijn laptop foto’s zien die hij tot nu toe heeft gemaakt deze vakantie. Sommige daarvan zijn erg leuk. Meteen na het eten begint helaas het gepruttel in mijn buik opnieuw en zit ik weer op de wc.

Donderdag 29 september

Een groot deel van de nacht wakker geweest. Vanaf half 3 durf ik niet meer te slapen, omdat ik het gevoel heb helemaal geen controle meer te hebben over mijn darmen. Moedeloos word ik ervan. Een mooie gelegenheid om mijn boek uit te lezen, maar niet helemaal wat je je voorstelt bij een goede nachtrust. Ook Ron heeft last van zijn darmen. Samen zijn we goed voor 2 rollen wc-papier vannacht.

Ik ben blij dat het ochtend is. Ron gaat ontbijten en brengt mij een kopje thee. Ik moet nu even niet denken aan de lucht van gebakken eieren. Hij spreekt met Frank af dat er in Diego een arts gebeld zal worden. Als de bus geladen is, vertrekken we met ad interim Hary (die een broer van hem blijkt te zijn) naar het vliegveld, vlakbij. Het schoolplein staat vol met kinderen met groene hesjes en er worden er nog meer afgezet. Dit is een privé-school: alle schoolgangertjes gaan pico bello gekleed. Dat hebben we wel eens anders gezien.

De etenslucht op het vliegveld is niet echt prettig. Samen met Martine en Raymond zoeken we de frisse buitenlucht op, en fris is het. Om kwart voor 9 staan we in de rij om te boarden. Ik hoop op een plek in het middenpad met makkelijke toegang tot het toilet. Er zijn er nog twee vrij aan het middenpad op rij 1. Ik verheug me niet echt op deze vlucht en hoop dat de immodium van vannacht en vanmorgen zal helpen.

Vandaag vliegen we naar Diego Suarez aan de kust (door de Malagasy Antsiranana genoemd). Het vliegtuig vertrekt op tijd: kwart voor 10. De vlucht van een uur verloopt soepel tot de landing. Bij het dalen is er veel turbulentie, een soort kermisgevoel. Zodra we de grond raken, gaat de piloot vol in de remmen omdat we anders de hangar inrijden.

Diego Suarez

We worden afgehaald door de eigenaar van het Panorama Hotel, waar we de komende 2 nachten zullen verblijven. Zijn naam in York, een vreemde snuiter die ongeveer iedere zin eindigt met “hè”. Hij heeft een minibusje bij zich en 2 gele Renault 4 taxi’s. Wij gaan met de taxi. De infrastructuur in Diego laat ernstig te wensen over. Het waait ontzettend hard en het is ook minder zonnig dan je bij een strandoord zou verwachten. Wat we van het stadje zien, is weinig indrukwekkend. Het hotel ligt 4 kilometer buiten het centrum, met uitzicht op zee. We hebben het hele complex voor onszelf, inclusief het zwembad met groene alg.

We krijgen een huisje, met uitzicht op zee, maar vrijwel zonder water. De waterdruk is te laag om ook de bovenste huisjes van water te kunnen voorzien. Verder ziet de kamer er fantastisch uit. Hetzelfde geldt voor het restaurant en de bar met lekkere luie hangstoelen. Een topplekje. We krijgen uitleg over de excursiemogelijkheden. Eigenlijk kun je hier niet zo gek veel doen. Voor morgen wordt een wandeling naar de 3 baaien voorgesteld met een barbecuelunch.

De dokter is inmiddels afgebeld. Ze konden niet zeggen of hij nou om 14.00 uur zou komen of om 18.00 uur. Met behulp van een schema over diarreebehandeling, dat Marc heeft, komen we erachter dat de juiste behandeling is antibioticum in combinatie met immodium. We hebben voor de vakantie van de huisarts een extra antibioticumkuur gekregen, daar ga ik na de lunch mee beginnen.

Ron test samen met Jornt en Marcel het algenbad. Dan zoeken we de spullen bij elkaar voor ons bezoek aan de stad. Met (te) veel mensen worden we in een klein busje gepropt en aan de rand van het centrum bij de markt afgezet. Op deze markt wordt met name kleding verkocht, weinig interessant. Veel verkopers zijn ook nog niet wakker: de siësta is nog in volle gang. We hebben de tip gekregen de Rue de Colbert uit te lopen, daar zou alles zitten wat een toerist zoekt: restaurants, internetcafés en winkels. De Franse invloeden zijn nog zichtbaar in de naamgeving van de straten: Avenue du Charles de Gaulle, Notre Dame, Rue Lafayette. Dat lijkt heel wat, in de praktijk valt het tegen. Veel winkels zijn gesloten of behoren tot een van de souvenirketens: Carambole of Maki Shop.

Verder is de stad grotendeels vervallen en is de sfeer niet echt prettig. Dit is meer het Afrika zoals we dat kennen uit steden als Maputo en Windhoek. Niet echt aan ons besteed. De stad dankt haar naam aan een Portugese kapitein, Diego Suarez, die hier in 1543 arriveerde. Zijn reputatie was twijfelachtig: hij moordde, verkrachtte vrouwen en verkocht inwoners als slaven. Vandaag de dag wonen er zo’n 80.000 mensen, een mengelmoes van Afrikanen, Europeanen, Aziaten en Arabieren. Volgens de Bradt is de markt hier een van de kleurrijkste van het land. We gaan op onderzoek uit en inderdaad het is een grote en leuke markt. Toch voelen we ons niet helemaal op ons gemak. We lopen door een paar bredere straten en gaan dan weer weg.

Op het terras van een restaurant dat we onderweg tegenkomen, leggen we aan voor een drankje en, belangrijker nog, een toiletbezoek, waarna we aan het tweede deel van deze “fascinerende” stadstour beginnen. We slagen erin om eindelijk een mailtje te versturen, het gaat niet echt snel en soepel, maar het lukt. Terwijl Ron achter de computer ploetert met het voor ons zeer onhandige toetsenbord, ga ik shoppen aan de overkant.

Onze wandeling eindigt bij de Place de Joffre, een hooggeplaatste Franse militair die vanaf 1911 leiding gaf aan het leger en in 1914 een belangrijke veldslag won. Ook nu nog zitten er zo’n 3.000 militairen in Diego. Op het op zich niet lelijke pleintje staat een standbeeld van deze held. Vanaf hier heb je uitzicht over zee, dat aardig geblokkeerd wordt door een Frans marineschip. Het is een populaire hangplek bij de lokale jeugd, wij zijn zo uitgekeken.

We lopen naar het kantoortje van York, vlakbij de haven, waar we om half 6 uur opgehaald zouden worden door het busje. Dat komt niet, zegt hij, op zijn eigen wazige manier. Hij gaat een aantal taxi’s voor ons regelen. Wij vinden het allang prima. We worden samen met Ilona en Henk in een taxi geladen en teruggereden naar het hotel.

Onderweg moeten we uiteraard tanken. We denken dat ze weinig toekomstvisie hebben en het geld liever in hun zak houden, later horen we dat je vanwege schaarste niet meer benzine in je tank mag hebben dan op dat moment noodzakelijk is. Dus tanken ze telkens 1 of 2 liter, genoeg voor een ritje. De benzine is overigens ook niet goedkoop hier, zo’n 80 eurocent per liter. Af en toe kijkt onze chauffeur ongerust achterom als we weer bijna de grond raken.

We frissen ons op en gaan om 19.00 uur eten. Na het eten wordt in de bar “rum on the house” aangeboden. Rond 21.00 uur gaan we terug naar ons huis. Ron doet kakkerlakcontrole, dat levert één exemplaar op. Ik maak een begin met mijn nieuwe boek, daarna houden we het voor gezien.

Vrijdag 30 september

Heerlijk geslapen vannacht. We staan pas iets voor zevenen op. De antibioticum lijkt zijn werk te doen. Gelukkig maar. Op ons terras zit een knalgroene gekko in de zon, dat is ongeveer de enige zon die we zien vandaag. Niet lang daarna begint het te regenen. Het ontbijt met vers fruit en sap (corassol, een vrucht die we nog niet eerder gezien hebben), smaakt voortreffelijk.

Om kwart voor 9 staan er een minibus en een jeep klaar om ons weg te brengen. De baas zelf rijdt ook mee. We zitten in de jeep met Mark en Fred en vertrekken als laatste. Tot grote hilariteit van het hotelpersoneel en onze chauffeur blijkt de sleutel van onze jeep in de broekzak te zitten van blonde Bob (een Duitse lapzwans met rastahaar, waarvan de vader bevriend is met York), die al met de minibus is vertrokken. Lekker handig. De vrouw des huizes, een Malagasi, vindt dit helemaal geen humor en pakt meteen de mobiele telefoon. Er krijgt er een behoorlijk op zijn lazer, zo begrijpen we. Bij het volgende hotel zullen ze het busje aanhouden en de sleutel naar ons toe laten brengen.

Totdat het begint te gieten, vullen we onze tijd met kameleon kijken. Net als ik op de wc zit, wordt de sleutel per fiets afgegeven en kunnen ook wij eindelijk vertrekken. Onze chauffeur vertelt dat hij de bijnaam “pasteur” heeft omdat hij geen alcohol drinkt en vriendelijk is naar andere mensen. Dat laatste klopt, hij ligt continu helemaal in een deuk. We rijden een stuk over een asfaltweg met gaten erin en slaan dan af een rood zandpad in waar een 4-wielaandrijving best wel handig is.

Bij het beginpunt van de wandeling staat York op ons te wachten. De rest van de groep is al gaan lopen, met uitzondering van Carla, die op Fred staat te wachten. In de boom zitten crowned lemurs. Ze hebben net banaan gekregen en laten zich nu nauwelijks meer zien. Bovendien gaan we er nog veel zien, aldus York. Dat blijkt niet zo te zijn. Blonde Bob gaat met ons mee als gids. Niet dat je er wat aan hebt. Hij is zelf ook pas 1 of 2 keer hier geweest.

Het eerste kwartier lopen we droog en kunnen we van het uitzicht genieten, dat bestaat uit prachtige verlaten zandstrandjes, grillige rotsen en hele grote schelpen. Daarna begint het steeds harder te waaien en te regenen. Mijn bril beslaat en ik zie bijna niets meer. In korte tijd zijn we helemaal doorweekt en koud door de wind. Normaal gesproken zou je op diverse plaatsen moeten kunnen zwemmen, krabben zien en schildpadden, vandaag dus niet. Het is blik op oneindig en doorlopen. Waar mogelijk, snijden we stukjes af.

Rond 12.00 uur bereiken we de rest van de groep die zielig met regencapes en paraplu’s onder een boom zitten te kleumen. Hoera, we hebben onze barbecuelocatie bereikt. Het wordt de eerste keer in de stromende regen barbecuen en niet echt iets wat voor herhaling vatbaar is. Dat ligt overigens niet aan het eten. Op het menu staan spiesjes van garnalen, vis en zeboe, rijstsalade en tonijnsalade. Een zeil om onder te zitten, zou echter wel handig geweest zijn. We eten zo vlug we kunnen, dat moet ook wel, anders loopt je bord vol water.

Nu moeten we nog doorlopen naar het vissersplaatsje Ramena, zo’n 3 kwartier verder. De koffie en thee slaan we over. Iedereen zit met kippenvel en wil zo vlug mogelijk naar een plek waar het warm en droog is. Door Ron wordt ik aangemeld voor de jeep, waar 4 mensen meekunnen. We krijgen alle rugzakken, zodat deze niet nog natter worden.

Achteraf gezien, was het beter geweest om ook te gaan lopen. Alle spullen worden op z’n elfendertigste ingepakt en het duurt nog een half uur voordat we gaan rijden. Met een sarong om mijn benen, warm ik langzaam een beetje op. Aan het einde van een spookstadje en het begin van een militair terrein treffen we de anderen. Er moet wat smeergeld betaald worden, zodat we onze weg kunnen vervolgen. Het minibusje is inmiddels ook gearriveerd om de wandelaars op te pikken.

Onze chauffeur wil nog stoppen in het vissersplaatsje, maar wij willen nog maar 1 ding: zo vlug mogelijk naar huis en droge kleren aan. Als iedereen goed en wel in de bus zit, breekt de zon door. Het is toch ook niet te geloven… We stoppen onderweg bij een hotel, zodat we baobabs kunnen fotograferen, het animo hiervoor is zo goed als nihil. In Panorama warmen we langzaam op met koffie, thee en rum voor de liefhebbers.

Nu de zon zich weer laat zien, wordt de stemming in de groep weer wat beter. Zeker als er in de tuin enkele kameleons ontdekt worden. Superleuk, die kraaloogjes en de rust en weloverwogenheid waarmee ze van de ene tak naar de andere stappen. We hebben weer geen water in de douche en gebruiken de emmer met het kannetje om ons een beetje op te frissen. Dat is beter.

Tot het avondeten zitten we op ons terras met een boek en uitzicht op zee. Even tijd voor onszelf. Alles wat vandaag nat is geworden, wordt uitgehangen, inclusief de fototas. Dan spreken we af een uur niets te zeggen en te lezen. Dat valt natuurlijk niet mee. Na dat uur is het ook te donker om verder te lezen. We regelen water voor een paar bouillonnetjes en installeren ons met de aanhankelijke huiskat en onze boeken in de kuipstoeltjes van het restaurant.

Rond 19.00 uur komt iedereen binnengedruppeld voor het diner: alleen Frank is nog de stad ingegaan. Als het eten op is en we nog even sociaal hebben nagepraat (op speciaal verzoek van Iet en Gretty), krijgen we rond 21.00 uur toestemming naar ons huisje te gaan, met de wijze spreuk van Frank “Don’t eat yellow snow”. Niet iets waar je iets aan hebt in dit land. Frank weet overigens ook te vertellen dat onderzoek heeft uitgewezen dat er veel meer gorilla’s zijn in Congo, Rwanda en Uganda dan tot nu toe werd gedacht. Dat is wel goed nieuws, zeker als we volgend jaar naar Uganda gaan.

Op de trap komen we een enorme kakkerlak tegen. Ik krijg er gewoon kippenvel van. Smerige beesten. Terwijl Ron kakkerlakken zoekt op de kamer, blijf ik op het terras. Onze bananen zijn erg in de smaak gevallen, daar heeft hij er 2 gevonden, elders in de toilettas en mijn weekendtas nog 3. Dat kan een gezellig nachtje worden. We hebben weliswaar een heel klein gekkootje op de kamer, maar die is geen partij voor die grote joekels. In de veronderstelling dat we de kakkerlakpopulatie voorlopig hebben uitgeroeid, kieperen we uit voorzorg alle etenswaren op het terras en kruipen in bed. Mochten er toch nog meer zijn, dan feesten ze maar buiten verder!

Zaterdag 1 oktober

Vannacht heeft Ron nog een grote kakkerlak opgeruimd. Ik hoor ook de hele nacht onbekende geluiden. Al met al toch lekker geslapen. Als de zon de hut binnenschijnt, zijn we wakker. Vandaag is het strakblauw. Om 7.00 uur zijn we al ingepakt en heeft Ron de was gehaald. Op naar het ontbijt, vers fruit en dito stokbrood. Een korte kameleonexpeditie levert weinig op.

Rond kwart voor 9 komen 3 jeeps en 1 minibusje het terrein op gereden. Hiermee worden we het laatste deel van onze reis gereden. Luxe hoor! We nemen de witte jeep, samen met Raymond en Martine. Een van de gidsen gaat op het bankje in de laadbak. Hij vertelt dat Diego voor 70% uit christenen bestaat (dat is ook te zien aan de vele nonnenscholen) en de rest grotendeels uit moslims. Er is nooit strijd tussen beide bevolkingsgroepen. Zo kan het dus kennelijk ook.

We rijden naar het kantoor van het agentschap in Diego om de nodige rekeningen te voldoen en vervolgens naar een benzinestation om lekkere dingetjes in te slaan voor de komende dagen. Het aanbod valt een beetje tegen. Het is slechts 40 kilometer rijden naar Amberbergen, door een droog gebied met veel eucalyptusbomen. Deze zijn goed bestand tegen droogte en zelfs brand en zullen zich altijd weer herstellen. We rijden over de RN6, tot we rechtsaf een zandpad in slaan waar een leuke kleine markt is. Ik zou best even willen stoppen, maar daar hebben we helaas geen tijd voor. Langs de weg ontdekken onze chauffeurs diverse kameleons, waar uiteraard voor gestopt wordt. Door de kinderen die hier wonen, wordt enthousiast naar ons gezwaaid. Een heel verschil met Diego.

Amberbergen

Rond een uur of 11.00 rijden we het terrein op van het klooster, waar we overnachten. We hebben ons voorbereid op een slaapzaal, maar krijgen een kamer voor 2, een meevaller. De kamer is simpel ingericht, maar wel schoon en voorzien van een tochthond. We zijn dik tevreden. Er is zelfs een douche op de kamer, met warm water.

We maken ons op voor de wandeling van vanmiddag (lange broek, deet, hoge schoenen en zonnebrand) en rijden naar de ingang van het park. Daarbij komen we door Joffreville, een stadje met oud-koloniale huizen die vroeger bewoond werden door Franse legerofficieren. Hier zien we voor het eerst iets van hoogbouw, het raamwerk van wat ooit een school met internaat is geweest. Na de cycloon van 1984 is het gebouw niet meer opgeknapt en nu staat er slechts nog een betonnen constructie.

Bij de entree van het park worden de kaartjes gekocht, daarna rijden we door naar de camping voor een stokbroodje kaas. Ook deze camping is mooi gelegen. We wandelen een stukje naar de heilige waterval. De lokale bevolking gelooft dat hier geesten van hun voorouders huizen en brengen daarom kleine offers, bijvoorbeeld muntjes, in de hoop dat hiermee hun wensen vervuld worden. De wandeling naar de tweede waterval is zeer kort en het tempo ligt ontzettend laag. Nog langzamer en we vallen om. Met 19 man schuifelen we over het zandpad. Hier zien we lemuren, de Sanford brown lemur. Omdat voeren fady is, blijven ze lekker hoog boven in de boom.

Dit is een prachtig bos, misschien wel het mooiste dat we ooit gezien hebben. Overal waar je kijkt, wurgficussen, reusachtige bomen, lianen, epifyten en kleurrijke bloemen. De gidsen gaan op zoek naar de kleinste kameleon, de brookesia , die op de grond leeft. Minutieus worden de blaadjes op de grond doorgewoeld. Ron, Marcel en Frank zoeken enthousiast mee, helaas zonder resultaat. De kameleon wordt niet gevonden (die is waarschijnlijk al onder een van de bergschoenen geplet) maar grappig is het wel al die volwassen kerels die op hun knieën door het dode blad kruipen.

Vanaf een informatiebord is het nog 2 kilometer lopen naar de Grand Cascade. Op dit bord wordt uitleg gegeven over de aye aye, een beestje dat hier in de boomholtes leeft. Er worden regelmatig krabsporen van hem gevonden (hij eet insecten en heeft 1 lange vinger om deze los te peuteren), maar het beestje zelf is al in geen jaren niet meer “live” gezien. Het zien van een aye aye zou de lokale bevolking ook ongeluk brengen, dus zijn er ook al veel exemplaren gedood. Als je naar het plaatje kijkt, kun je je er bijna iets bij voorstellen, het is een beetje een engerd.

Het brede pad naar de waterval is op sommige delen verraderlijk glad. Tegen de tijd dat Wanda en ik aankomen, beginnen de meeste reisgenoten aan de terugreis. Ook dit is een mooi plekje. Jammer dat we dezelfde weg weer terug moeten lopen. Er zijn vast veel mooiere paden. Het enige “wild” dat we tegenkomen, is een kudde zeboes. Van vergelegen dorpen worden op de rug van zeboes zakken rijst naar Joffreville gebracht en andere spullen mee terug genomen. De middag loopt ten einde, zodat het licht mooi tussen de bomen schijnt.

De jeeps staan al op ons te wachten. We vragen de chauffeur in Joffreville te stoppen voor een korte fotoshoot. Een klein schattig meisje begint keihard te huilen als we een foto van haar willen maken. Het begrip “vazaha” is kennelijk nog vreemd voor haar, ze vindt ons gewoon niet leuk. Moeders schiet haar te hulp en troost haar.

Tussen Joffreville en het klooster staan kleine kraampjes met fruit. We hebben veel zin in mango’s (die zijn bijzonder lekker hier), maar die zijn er net niet. Ik kom er wel achter wat de gele vruchtjes aan trossen zijn die je overal ziet, bilbas, een vrucht die alleen op Madagaskar voorkomt. Er zit een pit in en qua smaak lijkt het op een kers, zo wordt ons verteld. De jeeps gooien ons af en rijden terug naar Diego. We wandelen terug naar het dorpje om bananen in te slaan en leggen een paar huisbezoeken af, een bij een moeder met 11 kinderen (je moet maar een hobby hebben) en een bij een klein kind dat met een puppy speelt. Ik krijg nog een jongetje aan het huilen, dat in een kruiwagen zit.

Bij terugkomst is het winkeltje dat bij het klooster hoort, gesloten. Dat is nou jammer. Vanaf de kamer hebben we uitzicht op zee. Ron gaat douchen, terwijl ik mijn verslag van gisteren schrijf. Het door de nonnen bereide maal wordt om 19.00 uur geserveerd in het gezellige eetzaaltje naast het winkeltje. De goedlachse non in habijt met sportschoenen opent op speciaal verzoek opnieuw de winkel, waar ze erg leuke dingen hebben. Een prima manier om de tijd tot het eten te vullen. Na het shoppen reken ik af bij de vriendelijke non en vraag of ze iets kan met de pennen die we bij ons hebben en de T-shirts van Raymond en Martine. Daar is ze ontzettend blij mee, zegt ze, die worden aan het begin van het schooljaar en rond kerst uitgedeeld aan gezinnen die dat goed kunnen gebruiken. Een goede bestemming!

Zondag 2 oktober

Om half 6 worden we wakker. Ik moet naar de wc die verderop in de gang ligt en kan daarna niet meer slapen. Ik schrijf mijn verslag en we maken nog een keer gebruik van deze heerlijke douche. Om 7 uur zijn we schoon, aangekleed en ingepakt. Het is half bewolkt en regent een beetje. Daardoor wordt de ochtendwandeling die we gepland hadden, gecanceld. Rond half 8 komt onze vrolijke non met het ontbijt naar binnen, stokbrood met zelfgemaakte frambozenjam.

De jeeps komen om 8.30 uur. Onze witte jeep is er niet bij. Vandaag gaan we voor de blauwe, opnieuw met Raymond en Martine. We hebben minder ruimte dan gisteren, maar toch een prima auto. De Engelssprekende gids zit vandaag bij ons achterin. Makkelijk voor eventuele vragen onderweg. We rijden dezelfde weg terug als gisteren, tot de hoofdweg naar Diego. Vanaf daar is het nog 100 kilometer.

Het is een fantastische rit en we hebben de tijd dus kunnen we af en toe stoppen. Daar maken we graag gebruik van. De eerste stop is bij een leuk dorpje met rijstvelden, met daarop vele koereigers. De kinderen komen nieuwsgierig bij ons kijken. Even verderop staan de andere jeeps stil bij een kraampje met kokosnoten. Er zijn maar een paar reisgenoten die zich aan de kokosmelk wagen. We hebben dit al eerder geprobeerd, en zijn er geen van beiden enthousiast over. De kippen en hond schuimen de restanten af op zoek naar een lekker hapje.

Dan opnieuw een kameleonstop. Het arme beestje wordt door de gidsen opgejaagd en smeert ‘m. Hij heeft groot gelijk. Terwijl alle camera’s op de kameleon gericht zijn, ga ik kijken bij een groepje vrouwen en kinderen die in een vijzel de rijst ontdoen van schilletjes. Hard werken op de vrije zondag. Ze vragen om een pen, die heb ik helaas al in het klooster achtergelaten.

We doen nog enkele stops, waaronder een bij een saffierdorpje, dat minder welvarend is dan de dorpjes die we tot nu toe gezien hebben. Op zondag zijn veel winkels gesloten, toch kunnen we in een kraampje stukjes saffier zien. Veel mensen gaan chique gekleed, ze komen waarschijnlijk terug van de kerk. Een fotootje waard. Bij het meisje dat we daarvoor uitkiezen met een glimmende gele jurk, kan er geen lachje vanaf. Zelfs het inschakelen van Iet, mag deze keer niet baten.

Als we langs een zeboekar rijden, lassen we weer een pauze in. De gids is erg alert op wat we zeggen. Ik zeg tegen Martine dat ik de volgende keer graag een foto wil maken en hij laat de jeep meteen stoppen. We worden door het hele dorp uitgelachen, maar wat kan ons dat schelen. Als we aankomen, zet het konvooi zich net in beweging. Ik kan nog net op tijd opzij springen. De zeboes verzetten zich als ze de brug over moeten, dat komt volgens de gids omdat ze bang zijn voor krokodillen. Niet dat die hier zitten of zo…

We halen de andere auto’s in bij een markt in een plaatsje van enige betekenis, Anivorano. Daar kunnen we nog een kwartiertje rondkijken. Het vrouwelijke deel van de bevolking houdt zich bezig met de handel in groente, vis en fruit, de mannelijke helft met de koop en verkoop van qat. Menig man heeft zijn wangen volgepropt met deze licht hallucinerende blaadjes.

Ankarana en Ambilobe

Bij de ingang van het Ankarana Special Reserve kopen we kaartjes en kunnen we in een keet iets lezen over dit park. Dit park staat bekend om zijn tsingy (puntige karstrotsen), bos, vele grotten en canyons. Qua dieren, wonen hier veel soorten lemuren, vogels, ringstaartmangoesten, reptielen en insecten. De grootte van het park is 18.220 hectare. Net voorbij de ingang eten we onze broodjes kaas in de schaduw. Het is ontzettend warm hier, maar, anders dan in de Amberbergen, niet plakkerig.

De wandeling begint bij de camping. We lopen naar de Petit Tsingy en de vleermuisgrotten. Er is nog iemand die roept dat ze meer rotsen verwacht had, ze wordt op haar wenken bediend, net zoals zo vaak deze vakantie. Voordat we de rotsen bereiken, zien we een lepilemuur (boksmaki) slapend in de boom, even verderop twee uiltjes in de boom, een veelbelovend begin.

Tussen de puntige rotsformaties klauteren we naar boven. Gemakshalve zijn de stenen waarop je moet stappen met een witte stip gemarkeerd. Op verschillende plaatsen zijn vlonders gemaakt vanwaar je prachtig uitzicht hebt. Je mag de vlonders niet verlaten, omdat de rotsen dan kapot gaan en er smalle, maar diepe kloven tussen zitten. We dalen af, klimmen de volgende rotspartij weer op en dalen dan opnieuw af naar de vleermuizengrotten, waar je kunt komen door ruim 160 traptreden af te dalen. Een van de uitstekende rotsen heeft de vorm van een kat, vertelt onze gids, en met een beetje fantasie klopt dat wel.

We zijn te vroeg om de vleermuizen uit te zien vliegen, ze zijn nu nog binnen. Er zijn 2 grotten, in de eerste zitten de grootste vleermuizen van het land, fruit bats. We krijgen uitleg over wat verboden (fady) is in de grotten: een pet dragen, water drinken, fluiten en hard praten. Kennelijk gelooft hij hier zelf heilig in, hij drukt ons op het hart de regels in acht te nemen, omdat het anders ongeluk zal brengen. Als we compleet zijn (er komen nog enkele achterblijvers die ons kwijt waren geraakt), kunnen we de eerste grot in. Dit pad is goed begaanbaar. Er hangt een weeïge lucht binnen en uiteraard is het erg donker. Vanaf een trapje zie je de trosjes vleermuizen hangen. Best wel gaaf. We kunnen maar met een paar man tegelijk kijken, dus maken we plaats voor andere liefhebbers.

De tweede grot is minder makkelijk toegankelijk. Hiervoor moet je over de rotsen klimmen en ook binnen komt enige lenigheid van pas totdat we de grote grot bereiken. Hier leven 3 soorten vleermuizen en hele grote spinnen. Deze laatste slapen, daar hoeven we niet bang voor te zijn, aldus de gids. Gelukkig maar, want zo leuk zijn ze niet. Een van de vleermuizensoorten leeft in de gaten in het plafond. Er zijn in deze grot ook mooie stalagmieten en stalactieten te zien, die maar liefst 1 mm per jaar nader tot elkaar komen. Nu heb ik er spijt van dat ik mijn fototas buiten heb laten liggen.

Als we buiten komen, hebben we het gruwelijk warm. Wat was het benauwd daarbinnen. En dan moeten we de 160 treden weer op. De rest van de tocht voert door redelijk vlak terrein tot aan de camping waar we vanmorgen ook zijn geweest. Het enige klimwerk is door een rivierbedding die nu droog staat. Er is een diep gat waar de rivier ontspringt. Bij regenval loopt het binnen een paar uur vol, aldus onze gids.

Bij de camping wacht ons een verrassing: er zitten 2 soorten lemuren, de kroonmaki (crowned lemur) en de Sanford bruine lemuur. We zien er eerst een dan nog een, en dan zijn ze overal. En ik had nog zo gehoopt dat we nog 1 keer lemuren zouden zien voordat we naar Nosy Be gingen. Het is fady om de lemuren te voeren, maar ze mogen kennelijk wel zelf hun kostje bij elkaar jatten. Twee van hen halen acrobatische capriolen uit om tomaten te jatten uit de mand van de bouwvakkers. Een supereinde aan een superdag.

We moeten nog 30 kilometer rijden naar Ambilobe, het grootste stadje in dit gebied. Volgens onze gids is hier alles wat een toerist nodig heeft: warm water en elektriciteit. Tijdens de rit gaat de zon onder boven de rivier. Een schitterend gezicht. We laten de jeep stoppen en lopen vlug terug. Helaas we zijn te laat, de zon is al onder.

Het stadje, waar we overnachten in het Hotel National, is erg druk. En we begonnen net aan de rust te wennen. Tegenover het hotel is een moskee. Wij hebben morgenochtend dus geen wekker nodig om wakker te worden. De ontvangst door de qat kauwende manager is niet echt hartelijk. Er is ook niet voldoende plaats voor iedereen, Jos en Ilona worden in een ander hotel ondergebracht. De kamers zijn ontzettend heet, een beetje vies en er ligt een slecht matras op het bed. Dan was het in het klooster toch een stuk leuker. Het enige pluspunt is dat er veel water uit de douche komt.

Zodra we fris gewassen zijn, lopen we naar het enige fatsoenlijke restaurant dat er in deze stad schijnt te zijn, voor een drankje voor het eten. Daar hebben we tijd genoeg voor, pas na ruim een uur wachten komt de soep en ruim een half uur daarna de kip met koude friet.

Als we gegeten hebben, zijn er nog steeds reisgenoten die niets gehad hebben. Voor morgen geven we nu vast onze bestelling op, mogelijk dat het dan beter gaat. Het toetje, voor zover dat komt, wachten we niet af. We willen naar bed. We verbouwen de kamer zodat het matras op de grond kan liggen (dan ontlopen we in ieder geval de grote kuil in het bed) en gaan in de klamme lakenzak liggen. Het duurt wel even voordat we in slaap vallen.

Maandag 3 oktober

Niet al te best geslapen. De ventilator maakt een klereherrie, maar is weinig verkoelend en er drupt de hele nacht water op de grond in de badkamer. Om 3 uur zet ik de MP3-speler om mijn hoofd en val toch nog even in slaap. Het dorpsleven begint vroeg, dat maakt niet uit, we moeten toch om half 6 ons bed uit.

Rond 6.30 uur vertrekken we richting park. Op de markt worden bananen en flessen water aangekocht voor de wandeling. Het vertrekpunt is de parkeerplaats waar we gisteren geëindigd zijn. Ron gaat mee met de lange wandeling naar de Grand Tsingy, ruim 10 kilometer enkel. Ik ga dat niet halen, denk ik, en doe de korte wandeling, van ongeveer 2 uur. Dit is eigenlijk te kort, maar een ander alternatief is er helaas niet.

Ondanks het vroege tijdstip is het al aardig warm. De trip gaat door het bos en door de rivierbedding tot het uitzichtspunt over een tsingy, die pas 5 maanden geleden ontdekt is. Hoe dit rotsenmassief tot dat moment onopgemerkt is gebleven, is ons een raadsel. Erg indrukwekkend We bewonderen het geheel vanaf de verschillende uitzichtsplateautjes en lopen dan, op een klein stukje na, dezelfde weg terug die we gekomen zijn. We zien een paar prachtexemplaren van bomen met rare wortels, waarvan ik de naam telkens vergeet, 4 slapende Sanford bruine lemuren (het is nog te vroeg om ze in actie te zien), een gifgroene gekko met rode stipjes op zijn rug en diverse vogels. Leuk, maar niet spectaculair.

Om kwart over 10 zijn we weer bij de jeeps die ons naar het dorpje Anivorano brengen, waar we gisteren op de markt zijn geweest. Daar worden kaartjes gekocht voor Lac Antanavo (lac sacré), 4 kilometer hiervandaan en wordt een zak vlees opgepikt voor de krokodillen aldaar. Het verhaal is als volgt. Lang geleden lag Anivorano in een woestijngebied met weinig water. Er kwam een dorstige reiziger in het stadje om iets te drinken vragen. Toen dit verzoek geweigerd werd, waarschuwde hij de bewoners dat ze binnenkort meer water zouden hebben dan waar ze raad mee wisten. Niet lang daarna ging de aarde open, en werden de dorpelingen en hun huizen overspoeld. De krokodillen die nu in het meer leven, worden verondersteld voorouders te zijn van de huidige dorpsbewoners. Ze worden soms door hen gevoerd en ook vinden regelmatig ceremonies plaats, met muziek. Op die muziek komen ze af, waarschijnlijk omdat ze dit associëren met eten.

Op het zandpad vol kuilen dat naar het meer leidt, zien we veel vlinders. Het meer is op zichzelf niet bijzonder. De jeep wordt strategisch geparkeerd en er wordt Malagasi muziek aangezet. Niet lang daarna verschijnt de eerste kroko in beeld, gevolgd door een tweede. Ze hebben wel trek in de brokken vlees die worden neergegooid. Weloverwogen worden deze een voor een naar binnen geschrokt. Kauwen is niet nodig. Ook losliggende takjes verdwijnen zonder pardon in de grote kaken. Deze twee meerbewoners zijn groot en nogal vadsig. Zo te zien, hoeven ze geen honger te lijden. We gaan zo dichtbij als we durven (dat is voor Fred en mij dichterbij als voor de anderen), zodat we ze goed kunnen bekijken.

We zien nog een kleine slang en rijden dan terug naar het dorp. Op een van de terrassen mogen we onze sandwich opeten als we er een drankje bestellen. Een goede deal. Ook in dit café wordt weinig geïnvesteerd: de drankjes worden op krediet “gekocht” bij een winkeltje aan de overkant van de straat en later met ons geld afgerekend. Zo blijven ze nooit met voorraden zitten en krijgen wij koele drankjes. Een typisch geval van een win-win-situatie. Er wandelen wat mannen voorbij met een wezenloze blik in hun ogen, de qatgebruikers. Een bosje kost €1,-, een heel bedrag in een land waar het welvaartsniveau niet zo hoog is. Vanaf de overkant van de straat worden we de hele lunch toegeroepen “salut vazaha”, en toegezwaaid door heel veel kleine kotertjes. Een zeer kinderrijk land dit. Op weg terug naar onze thuisbasis kan ik mijn ogen niet meer openhouden. We hebben ook veel te weinig geslapen vannacht.

De chauffeurs hebben nog niet gegeten, we stoppen bij het dorpje aan de overkant van de entree van het park. Daar is een schooltje dat 2 jaar geleden geopend is. De kinderen zijn op het schoolplein een wilde variant van voetbal aan het spelen. Als ze ons opmerken, wordt het spel stilgelegd. We kijken in de klaslokaaltjes. De inrichting is simpel maar effectief: houten schoolbankjes, een wereldkaart en een schoolbord. Hans wijst aan waar Nederland ligt en trekt daarbij veel bekijks. Ineens spurten alle kinderen naar buiten. De juf is gearriveerd en kijkt nogal streng. In no-time staan de kinderen in een rij, met hun hand op de schouder van hun voorganger, jongens en meisjes gescheiden. Op het teken van de juf gaan ze allemaal het lokaal is, 2 klassen in een lokaal, ieder aan een kant van het schoolbord. De juf geeft aan beide klassen tegelijk les. Lekker efficiënt. We willen uiteraard de les niet verstoren, en gaan ervandoor.

We drinken wat en zijn dan klaar voor vertrek. De chauffeur van de minibus wordt opgespoord om ons terug te rijden. Ook tijdens deze rit vallen mijn ogen dicht. Daardoor mis ik de grote kameleon die voor ons de weg oversteekt. We laten ons afzetten in het hotel, waar ik mijn wandelschoenen voor sandalen verwissel en meteen weer op pad ga om deze metropool te verkennen. Het lijkt heel wat, toch is het niet echt op toeristen gericht. De markt is in volle gang, de verkoopwaar bestaat voornamelijk uit tomaten, uien, pinda’s, knoflook, mango’s, gedroogde bananen en vis. Er zijn ambulante slagers actief die met biefstuk aan bamboestokken geregen, rondlopen op zoek naar klanten.

Bij een van de kramen wordt muziek gemaakt door een man met een verrotte accordeon en met de voet bedienbare sambaballen van blik met blikken mannetjes als versiering. Leuk wel, dat vinden ook de dorpsbewoners, die in groten getale toestromen.

Ik ben nog met mijn verslag bezig en denk nog een uurtje te kunnen lezen als de wandelaars terugkomen. Ook voor hen is het een mooie dag geweest. En ze hebben veel lemuren gezien. We douchen en zijn om 19.00 uur bij l’Escargot, die deze keer wel zijn voorbereid op onze komst. Binnen een kwartier zit iedereen te eten. Zo kan het dus ook. We kijken tijdens het eten naar een video met Malagasi supersterren. Een van de clipjes is opgenomen in het ons welbekende Panorama-hotel. Na het toetje keren we huiswaarts.

Dinsdag 4 oktober

We slapen iets beter als de afgelopen nacht, maar het houdt niet over. Iets na vijven worden we wakker, niet van de moskee maar van een kalkoenconcert. Ze hebben geluk dat het dierendag is, een turkey sandwich lijkt op dit moment erg aanlokkelijk. Rond kwart voor 6 zit ik buiten, waar de temperatuur een stuk aangenamer is dan binnen. De mevrouw van l’Escargot is dan al met de rekening van gisterenavond op zoek naar Frank, die nog heerlijk ligt te slapen.

Om 6.45 uur zitten we aan het ontbijt. Onze chauffeurs zijn ook vandaag weer keurig op tijd, hetzelfde geldt voor de reisgenoten. We nemen de blauwe jeep, aanvoerder van het konvooi met Martine en Raymond en Gretty in de achterbak, tot ongenoegen van Frank, die altijd in deze jeep zit. We rijden naar een stadje zo’n 100 kilometer verderop dat nu al op de borden staat aangegeven, en daarna is het nog 25 kilometer naar Ankify, oftewel zon, zee en strand.

Het is alweer een mooie route: groen met bergen op de achtergrond. In de vele rivieren, waar nu een keer wel water instaat, wordt gevist, gebadderd en de was gedaan. Het eerste deel van de reis zien we veel reizigerspalmen en katoenvelden en mangobomen, later cacao-, koffie- en ylang ylang-plantages, een bloem die heerlijk zoet ruikt en gebruikt wordt in parfums. De dorpjes onderweg zijn klein en zo goed als uitgestorven. Het lokale vervoer bestaat grotendeels uit zeboekarren en de fiets, vaak met brokken vlees of levende kippen aan het stuur. We rijden flink door, het lijkt wel of de chauffeurs na al die dagen eindelijk het gaspedaal hebben ontdekt. Op dierendag wordt uiteraard voor alle dieren geremd, ook voor overstekende eendjes. Dat hierdoor de jeep achter ons bijna bij ons komt binnengereden, is een onbelangrijk detail.

We stoppen bij een cacaoplantage. In totaal wordt er 50.000 hectare cacao verbouwd. Op dit moment worden de vruchten geplukt, die groen, rood en geel van kleur zijn. Tijdens andere vakanties hebben we al wel cacaobomen gezien, maar dan meestal zonder vruchten. Van de vruchten wordt de schil afgehakt, waarna er een soort slijmerige witte bonen achterblijven, die worden losgemaakt van hun stammetje en in zakken worden gedaan. Het lijken net larven. De zin in chocola zou je bijna vergaan. Daar hebben de arbeiders ter plaatse weinig last van, af en toe stoppen ze lekker zo’n glibberig wit ding in hun mond, waarna ze de boon weer uitspugen. De zeboekar staat al klaar om alles op te laden. Hoe het verdere proces verloopt (van boon tot bounty) vertelt het verhaal niet.

We rijden een stukje verder tot de koffieplantages. Aan de andere kant van de weg de ylang ylang bloemen. Daar is verder weinig activiteit. De kinderen van de nabijgelegen huizen trekken een sprintje als ze ons zien. Even toerist kijken, altijd leuk. Het dorp dat 100 kilometer geleden al op de borden werd aangekondigd, blijkt een dorpje van niks te zijn. We verlaten de asfaltweg voor een zandpad vol kuilen. Dat doet ons als vermoeden dat we straks niet in een hele grote haven zullen arriveren. De bewoners van deze streek hebben zich toegelegd op de visvangst en op het fijnhakken van grote stenen.

Wanneer we mangrovebossen zien in de verte, kan de zee niet ver meer weg zijn. Dat klopt. De haven waar we aankomen, is klein. Er staan wel enkele vrachtwagens om vracht te lossen en verder grotendeels taxi’s. Voor de lekkere trek zijn er wat kraampjes met fruit en enkele restaurantjes. De kustlijn is, mede door de zandbanken, erg mooi om naar te kijken. In de verte vissen mensen met hun handen. De vangst verdwijnt in emmertjes. We zijn vroeg, het is pas half 11, onze boot gaat pas om 12 uur. We dachten dat we met de ferry gingen, maar er zijn privé-bootjes geregeld. Ook goed.

Terwijl de chauffeurs kijken of de bootjes al zijn aangekomen, zoeken wij de schaduw op het terras op om de hitte te ontvluchten. Degenen die geen geld hebben voor een drankje, hebben een andere creatieve schaduwplek gevonden: ze zitten onder een vrachtwagen. In hoog tempo slobberen we met z’n 2-en een fles Fanta Orange naar binnen. De motorbootjes zijn al present, we kunnen eerder vertrekken. De bagage is al door dragers naar de boot gebracht en ligt er al op.

Nosy Be

In een uurtje varen we langs eilanden met paradijselijke strandjes naar ons eigen bounty-eiland, Nosy Be. Het andere bootje is sneller, maar komt zo’n 150 meter voor de haven stil te liggen. De benzine is op. Dat is nou sneu! Onze kapitein biedt de helpende hand, zodat ook zij voet op vaste grond kunnen zetten. In de haven worden we opgewacht door een haag van mannetjes, die graag onze bagage willen dragen. Afblijven! In afwachting van de transfer naar het hotel staan we in de brandende zon langzaam gaar te koken en kijken we naar de activiteiten in de haven. Hele huisraden worden op de boot geladen.

Buiten het haventerrein staan een aantal aftandse taxi’s te wachten. Midden op de dag is het hoofdstadje Hell-Ville (gezellige naam!) zo goed als uitgestorven, op enkele lunchende toeristen na. Dat geldt ook voor het plaatsje waar wij verblijven, Ambatoloaka, het toeristisch centrum van het eiland. Ons hotel, les Boucaniers, is gelegen op een heuvel en het mooiste waar we ooit geslapen hebben: supermooie kamers (allemaal anders), sfeervolle doorkijkjes, grote beelden, luie stoelen, veel bloeiende planten, een klein maar zeer decoratief zwembad… En hier mogen we 3 nachtjes blijven!

We krijgen uitleg over de mogelijke excursies, moeten een uitgebreid formulier invullen en krijgen dan de sleutel. We hebben een beetje moeilijk gedaan met het boeken van excursies en krijgen nu morgen een privé-excursie naar Lokobe en gaan overmorgen snorkelen met Iet en Gretty. We leggen de spullen op de kamer en trekken het dorp in om te eten. Het is al 14.00 uur geweest en we hebben honger. Bovendien zitten we ons al dagen te verheugen op alle lekkere dingen die een toeristenoord te bieden heeft (pizza!).

Het dorpje bestaat uit niet veel meer dan veel restaurantjes en barretjes, boekingskantoren en enkele winkels. Na een vergelijkend warenonderzoek komen we uit bij La Saladerie, een sfeervol ingericht restaurant met pasta en pizza op de kaart en uitzicht op zee.

De rest van de middag brengen we door in het hotel in of in de buurt van het zwembad en met een boekje op bed. Lekker relaxt. We mogen van kamer ruilen met Astrid en Marcel, zodat we 2 bedden hebben, wat we uiteraard zeer waarderen.

Woensdag 5 oktober

We worden vroeg wakker, als het net licht is. De elektriciteit is vannacht om middernacht uitgegaan en daarna werd het akelig warm op de kamer. Het plastic muskietennet ventileerde ook niet echt lekker. Je moet wat, er zitten hier veel muggen.

Om 7.00 uur kunnen we ontbijten voor onze deur. Een hele vooruitgang ten opzichte van de vele droge stokbroodjes die we deze vakantie verorberd hebben (we hebben thee, sap, fruitsalade, een croissantje, een chocoladebroodje en een hard broodje). Dat is smullen. We pakken onze spullen in voor onze excursie van vandaag, naar Lokobe Strict Reserve. We kijken ernaar uit, een dagje met z’n 2-en. Op Iet en Gretty na, gaat iedereen vandaag op pad, snorkelen of een eilandtour.

Onze gids, Donald, heeft er zin in en wij ook. We kruipen in het oranje Renault 4-tje en crossen naar Hell-Ville. Er moeten nog spullen voor de lunch ingekocht worden. Hiervoor moeten we ariary voorschieten, die dan later in mindering worden gebracht op de kosten van de excursie (€ 20,- p.p.). Een wat aparte manier van zakendoen. We krijgen een half uurtje om het stadje te verkennen. De dorpsgek, een wat ouder vrouwtje, begint tegen Ron te schreeuwen en gaat aan hem hangen. Hij wordt gered door Donald die net terugkomt met onze lunch.

De tocht wordt vervolgd richting vliegveld. Onderweg stoppen we een paar keer om naar een kameleon te kijken. Eentje wordt zelfs gezien terwijl we er met een snelheid van 60 km per uur voorbijrijden. We begrijpen er niets van. 6 kilometer voor het vliegveld slaan we rechtsaf, een weggetje op dat het slechtste is van de hele vakantie. Het lijkt wel of de bodem van de taxi eronderuit valt met al die keien. De chauffeur kijkt af en toe bezorgd naar zijn banden. Voor de zekerheid heeft hij in Hell-Ville vast een reserveband in de auto gelegd.

We stoppen bij een ylang ylang-plantage, waar onze gids ons de bloemetjes laat ruiken. Soms is het jammer dat de ene gids niet weet wat de andere al verteld heeft. Talloze keren zijn we al gewezen op bananen- en mangobomen (alsof we die tijdens de 3 weken dat we door dit land reizen niet allang gezien zouden hebben). Met betrekking tot de ylang ylang leren we nog iets nieuws: de bomen worden geknot, zodat de bloemetjes makkelijker te plukken zijn. Vandaar natuurlijk die dikke, grillig gevormde takken. Bij de plantage is een kleine verwerkingsfabriek, waar nu niemand aanwezig is.

Aan het einde van de weg komen we in een vissersdorpje terecht. De schipper van de pirogue staat al klaar. Omdat het eb is, moeten we buiten het dorp instappen, achter een mangrovebos. Ook hier krijgen we uitleg. Er zijn mannelijke bomen, vrouwelijke bomen en hermafrodieten. Deze laatste vormen langwerpige vruchten met een punt eraan, die als ze vallen in de grond blijven steken en een nieuwe boom vormen. De bladeren van de 3 soorten zijn verschillend van vorm. De puntjes die overal uit de grond komen, zijn niet de nieuwe bomen, maar wortels. Het mangrovebos, dat vanmiddag als we terugkomen onder water zal staan, vormt een ideale leefomgeving voor krabbetjes. Daar zien we er ontelbaar veel van.

Ik zie een mooie mevrouw met een emmer op haar hoofd en kan het weer niet laten. Ik mag zoveel foto’s maken als ik wil als ik beloof ze op te zullen sturen. Dat beloof ik. Het bootje ligt een klein stukje een water in. Nietsvermoedend stap ik het water in met mijn sandalen (die waren toch al zeiknat) en zak 15 cm de modder in. Daar had ik niet op gerekend. Mijn schoen komt vast te zitten en blijft achter. Hij wordt opgevist door Donald.

We bereiken veilig (maar niet echt droog) de pirogue en varen naar Lokobe, dat alleen per boot te bereiken is. We zien vliegende vissen, prachtige verlaten strandjes en Ron een grote schildpad. Na 3 kwartier roeien lopen we vast op een zandbank. De resterende honderden meters moeten we lopen. Deze keer is de ondergrond steviger, hoewel we af en toe toch nog behoorlijk diep wegzakken. We zien net onder het wateroppervlak een grote zandkrab. Deze staat niet op het menu voor vanmiddag, aldus onze gids, dat zijn mangrovekrabben. Stom dat je dieren in de natuur zo mooi vindt om naar de kijken en dat diezelfde dieren ’s middags op je bord liggen.

Het zand op het strand is loeiheet onder je blote voeten, dus zoeken we zo vlug mogelijk de schaduw op, waar we genieten van een colaatje. Wat een superlocatie is dit. Onder een afdakje in het midden van het dorp staat onze picknicktafel van vandaag, die omringd wordt door souvenirkraampjes, met houtsnijwerk en geborduurde tafelkleden. De meeste producten worden lokaal gemaakt, met uitzondering van de houten beelden en maskers van houtsoorten die hier niet voorkomen. Zo op het eerste gezicht zit er niets bij dat ik echt mooi vindt, na de lunch zal ik op nader onderzoek uitgaan.

Na een half uurtje zitten, gaat onze wandeling van start. We lopen tussen de plantages (waar we onder andere vanille en peper zien) het dorp uit en klimmen een stukje het bos in, waar Donald “maki, maki” roept. Aan deze oproep wordt massaal gehoor gegeven. De zwarte lemurenfamilie die regelmatig gevoerd wordt met banaan, komt aangesneld. We kunnen gerust een goede plek in de schaduw opzoeken, wordt ons verteld, ze komen wel achter ons aan. En dat is ook zo. Dankbaar nemen ze de stukjes banaan in ontvangst. Eentje springt zelfs op mijn schouder. Wat een gave beesten. Overigens zijn alleen de mannetjes zwart van kleur, de vrouwtjes zijn goudbruin. Een van hen heeft een baby met zwart piekhaar. Ondanks zijn jonge leeftijd, probeert hij af en toe zelf op pad te gaan en zijn vader en moeder, die allebei heel lief voor hem zijn, te ontvluchten.

In hetzelfde stukje bos zit ook een lepilemuur in een holle boomstam ons met zijn roodbruine oogjes geïnteresseerd aan te kijken. Deze lemuren zijn nachtdieren en zijn op dit moment niet actief. Fijn om een keer foto’s te kunnen maken, zonder dat er iemand voorstaat. We zouden heel lang op deze plek kunnen blijven, maar worden tot de orde geroepen. We moeten verder, er is nog meer te zien. Dat klopt. We zien nog vogels, waaronder een paradijsvliegenvanger en de drongo, een zwart/gele slang, nog een groep zwarte lemuren hoog in de boom, meer lepilemuren, waarvan 1 met een baby, een krabspin en in de rivierbedding hele mooie kikkertjes. Op hun rugje zijn ze bruin met zwart, van onderen blauw en grijs. Als je ze vastpakt en op hun rugje legt, doen ze net of ze dood zijn. Als je ze weer omdraait, springen ze meteen weg.

Geen slechte score voor 2 uur wandelen. Wel moeten we Donald af en toe afremmen in zijn enthousiasme. Zo pakt hij met een stokje een kameleon zodat we een close-up foto kunnen maken, jaagt hij de slang opnieuw het pad op en schudt ie aan de boom zodat de lepilemuur haar baby laat zien. Een aparte manier van natuurbeheer, vinden we. De meeste toeristen willen dat, zegt hij, van ons hoeft dat niet zo. Het enige dat we niet gezien hebben, is een van de boa’s die in het bos leven. Nou ben ik toch niet zo happig op slangen, dus daar kunnen we mee leven.

Terug in het dorpje wordt een feestmaal geserveerd van saffraanrijst, zeboespies, vismoten, krab in tomatensaus en fruit. Ron stort zich op de krab en komt tot zijn ellebogen onder te zitten. Na de lunch wandelen we door het dorpje met slechts 100 inwoners. Deze zijn over het algemeen heel aardig. Alleen de kleine kinderen vinden ons niet allemaal even leuk. Onder de bomen snijden mannen maskers uit en borduren vrouwen tafelkleden. Om de lokale economie een beetje te steunen, koop in een masker voor 8.000 ariary. Echt onderhandelen hoef je hier niet. Ze vroegen 10.000, ik bood 7.0000, waarmee schoorvoetend akkoord werd gegaan, waarop ik me een beetje schuldig voelde en alsnog 8.000 heb betaald.

Rond 15.00 uur peddelen we terug. Het is nu vloed en alles ziet er heel anders uit. Waar we vanmorgen tussen de mangrove gewandeld hebben, varen we nu. In het dorpje wachten we op de taxi, dezelfde als vanmorgen. Midden in het dorp staat een waterpomp, waar de dorpsbewoners hun water komen halen, kippen en honden drinken en kleine eendjes een rondje zwemmen, leuk om naar te kijken. Daar waar de weg steil omhoog gaat, moeten we lopen. Zelfs zonder onze aanwezigheid, slipt de taxi over de losliggende keien en komt geen meter vooruit. De mannen moeten duwen. In Hell-Ville wordt de bandenspanning gecontroleerd (geen overbodige luxe) en uiteraard moet er weer getankt worden.

We worden afgezet voor het hotel en dan moet er natuurlijk betaald worden. We willen met euro’s betalen, het wisselgeld terug in ariary en dan moeten de kosten voor de lunch, die we hadden voorgeschoten, nog in mindering worden gebracht. Daar snapt Donald helemaal niets van. Ron maakt een hele rekensom, waarop Donald belooft later terug te komen met het wisselgeld. We lopen meteen door naar het zwembad, we hebben weliswaar veel water gezien vandaag, maar nog niet gezwommen. Dat is lekker. We dobberen wat, nemen en drankje en douchen. En, tegen alle verwachtingen in, wordt inderdaad het wisselgeld gebracht.

Vanavond hebben we het afscheidsetentje van Frank bij Ylang Ylang. Frank vliegt morgenmiddag al terug naar Amsterdam om een visum voor Tsjaad en Kameroen te regelen, de volgende reis die hij gaat begeleiden. Gelukkig hebben we ad interim Marc nog. We hebben met het grootste deel van de groep een afscheidscadeautje gefabriceerd, een opgerold handgeschept blaadje met onze namen erop, en daarin de fooi. Voor de finishing touch heeft Ron nog bloemen geplukt in de tuin van het hotel om aan weerszijden in het rolletje te steken.

Tijdens het eten houdt Jornt namens de groep een bedankspeech, waarin hij nog zijn inmiddels beroemde York-imitatie doet. Frank heeft ook een cadeautje voor ons, een cd-rom met foto’s van deze reis. Als extraatje heeft hij er voor Ron nog wat vogelfoto’s bijgezet. Leuk en erg attent. We zullen ze thuis eens op ons gemak bekijken.

Donderdag 6 oktober

Vannacht heeft de ventilator het de hele tijd gedaan. Dat scheelt veel in de warmte. We worden pas om 6.45 uur wakker. Even schrikken want om 7 uur moeten we ontbijten.

Het is mooi weer vandaag, zoals bijna alle dagen buiten het regenseizoen. Om 8 uur worden we opgehaald door de taxi, samen met Iet en Gretty, het snorkelteam van vandaag. We wijzen de chauffeur er voorzichtig op dat hij moet denken aan de flippers en snorkels, die waren ze gisteren namelijk vergeten. Lekker handig. We stoppen inderdaad bij een winkeltje waar de benodigde spullen opgehaald worden. Wij hebben alleen flippers nodig. Deze zijn van niet al te beste kwaliteit, een van Ron zijn flippers wordt met nietjes bij elkaar gehouden.

Voor de verandering rijden we nog maar een keer naar Hell-Ville. We worden gedropt op een veldje vlakbij de zee waar onze € 20,- per persoon voor deze excursie door een louche uitziende man met donkere zonnebril wordt geïnd. We hebben geluk dat we gisteren allemaal € 20,- uit de pot hebben teruggekregen en dus gepast kunnen betalen, gisteren zijn ze hier heel lang bezig geweest met wisselen e.d. Niettemin moeten wij ook wachten. Als ik vraag waarom het zo lang duurt, doen ze alsof ze dat niet begrijpen. Het duurt een half uur voordat de andere taxi’s met snorkelaars arriveren, 4 in totaal. De 2 oudere Fransen hebben we al 2 keer eerder gezien en daarnaast nog een jong Frans stel.

Fabiën, onze Franse begeleider, rent gestrest op en neer maar zegt niets. Niet zo goed georganiseerd allemaal. Uiteindelijk kunnen we naar de haven, waar de boot zal komen. Klein minpuntje: er is geen boot en ook van Fabiën ontbreekt ieder spoor. We wachten in de brandende zon nader bericht af en kijken hoe andere boten geladen worden met mensen, levensmiddelen, fietsen en huishoudelijke artikelen. Het meest hebben we het te doen met de man die zakken meel van 50 kilo vanaf een truck naar een boot moet dragen. Door het zweet en de meel is hij voorzien van een dun deeglaagje.

Het verlossende woord komt: er komt een boot, en deze keer echt. De volledige boodschap is “desolé, moteur, explosé”, oftewel de motor van onze boot is ontploft. Er komt inderdaad een catamaran waar onze lunch op geladen wordt. We varen en we hebben schaduw, dat noemen ze nu vooruitgang. Hoera, we zijn onderweg naar Nosy Tanikely, een klein eilandje waar het prachtig snorkelen zou moeten zijn. We zijn benieuwd.

De snelheid van de boot valt niet tegen, al na een half uurtje komt ons bounty eiland dichterbij. Het ziet er inderdaad paradijselijk uit én het is nog niet druk. We varen tot ongeveer op het zand en de loopplank wordt uitgelegd. In de schaduw staan een paar banken waar we onze bagage achter kunnen laten. We pakken de snorkels en maskers en begeven ons lenig het water in. Maar niet voordat er een zeer charmante foto is gemaakt van iedereen mét uitrusting. Uiteraard ben ik degene die de foto maakt.

Het duurt niet lang of we worden omgeven door de meest fantastische vissen. Alle kleurencombinaties en maten zijn vertegenwoordigd. Vele malen mooier dan in Ifaty. Datzelfde geldt voor het koraal. Ondanks de vele bootjes die hier voor anker gaan, is dit nog goed bewaard gebleven. Vooral de rode bollen met groene poliepen vinden we geweldig. Opvallend zijn ook de grote groepen zee-egels op de bodem. Gelukkig is het water diep genoeg om er niet in te gaan staan.

We drijven een uurtje rond tussen al dat moois, dat we bijna voor onszelf hebben. Wonderlijk genoeg is er buiten ons bijna niemand in het water. Ze weten niet wat ze missen. Volgens de Bradt moet je om het eilandje heen kunnen lopen, dat gaan we proberen. Een paar honderd meter van onze standplaats vandaan staan enkele bomen met fruit bats, grote vruchtetende vleermuizen. Wat een lawaai. Ze zijn vrij ver weg, maar wanneer ze van de ene boom naar de andere vliegen, toch goed te zien. Een mogelijkheid om dichterbij te komen, lijkt er helaas niet te zijn.

Het rondje eiland vereist enig klim- en klauterwerk over scherpe (vulkanische?) rotsen. We zien een paar kleine hagedissen, een kameleon en diverse grote schelpen. Op sommige delen ligt het “pad” bezaaid met koraal. We zijn net op tijd terug voor de lunch, die ook vandaag weer onovertroffen is: vis- en zeboespiesjes, krab, salade en barracuda. En dat alles is leuk gepresenteerd. We delen de tafel met 8 Fransen die lustig met lege colaflesjes op de krabben timmeren. Ron wil niet achter blijven en is in z’n eentje goed voor 5 krabben.

Met een volle buik snorkelen, is minder fijn. Bovendien komt het water op, is de stroming sterker en zijn er grote temperatuursverschillen in het water. Toch houden we het nog een uur vol. Ik ben net mijn haar aan het afdrogen en ook Ron is net het water uit, als Gretty roept dat ze een schildpad ziet. Gisteren hebben onze reisgenoten rond dezelfde tijd ook een schildpad gezien, dat is toch ook sterk. Wel gaaf natuurlijk, ik ga er nog even in. Ron heeft geen zin meer, maar kan het uiteindelijk ook niet laten.

De schildpad in kwestie ligt op de zeebodem en komt langzaam naar boven. We zijn onder de indruk. Helaas is er nog een snorkelaar die naar hem duikt en hem bij zijn schild pakt. Dat valt niet in goede aarde: het beest draait zich om en haalt uit. Net goed. Wat jammer is, is dat hij kort daarna weggaat. Gelukkig kunnen we hem (of haar natuurlijk) even van dichtbij bekijken toen het beest lucht kwam happen. Ron had nog een paar opnames bewaard op de onderwatercamera. Een mooi einde aan een mooie dag.

We moeten ons nog haasten om op tijd bij de boot te zijn die om 15.00 uur vertrekt. De catamaran is met Fabiën naar Nosy Komba, wij krijgen de speedboat. Ron gaat achterin zitten omdat dat het meest stabiel is, en wordt tijdens de 20 minuten die de tocht duurt, zeiknat. Het vrouwtje dat een bankje voor hem zit, is helemaal droog gebleven. De taxi van vanmorgen staat klaar om ons terug te rijden naar het hotel, waar we iets na vieren aankomen.

Op de trap worden we aangesproken door een man met een grote geldbuidel, de geldwisselaar die we voor vanmiddag 18.00 uur besteld hadden. We wisselen € 100,-, waarvoor we 5.000 ariary commissie betalen. Die flitsende zonnebril en mobiele telefoon heeft hij natuurlijk ook niet voor niets gekregen. Even snel als ie gekomen is, verdwijnt ie weer, waarschijnlijk is het allemaal net niet helemaal legaal. Wij kunnen in ieder geval weer vooruit.

We duiken het zwembad in met Iet en Gretty en later ook Jornt, die ons met een bommetje komt verblijden. Het was ook al verdacht rustig op de stoel achter ons. Een gezellige ontmoetingsplek aan het einde van de middag. Van zoveel water ben ik helemaal gerimpeld en koud geworden. Ik ga douchen, dan ben ik ook nog op tijd voor de zonsondergang. Deze keer treffen we elkaar in de bieb. Martine en Raymond zijn vandaag gaan fietsen en hebben een ananas meegebracht. Lekker!

Het animo voor de laatste zonsondergang boven zee deze vakantie is groot. Er zijn 1e en 2e rangs-plaatsen. De kleuren van de lucht nadat de zon is ondergegaan, vind ik eigenlijk mooier, zeker met het kleine sikkelmaantje. We trekken ons een uurtje terug, even lekker op bed liggen, voordat we gaan eten.

Na het eten lopen we terug naar het hotel, waar we vast wat spullen inpakken (dat scheelt morgen weer), lezen en rond 22.00 uur gaan slapen. We vinden het erg jammer om morgen weg te gaan. Na een paar dagen op dit eiland, hebben we weer energie opgedaan om nog een paar weken door Madagaskar te rijden.

Vrijdag 7 en zaterdag 8 oktober

Tana, terug naar huis

We worden vroeg wakker op deze laatste ochtend in dit mooie oord. Helaas, vandaag moeten we de terugreis aanvaarden. Op naar herfstachtig Nederland. We douchen, pakken de laatste spullen in (de souvenirs worden goed ingepakt tussen de vieze was), ontbijten en zijn klaar voor vertrek. We worden opgehaald door 2 busjes die ons naar het vliegveld zullen brengen. Deze arriveren om 8.30 uur. De rit duurt niet zo lang, bij het vliegveld staat een dame klaar om onze incheck te regelen. We kunnen lekker zitten, terwijl zij onze instapkaarten ophaalt.

Buiten het vliegveld zijn leuke winkeltjes. Ik koop niets, we hebben tenslotte vanmiddag nog uren de tijd om in Tana te shoppen. Aan de overkant van de parkeerplaats is een restaurant met een terras boven. Daar neem ik nog een keer corassolsap om het af te leren. Het afrekenen verloopt niet echt soepel (altijd weer die ariary en die francs) en pakt – uiteraard – uit in ons nadeel. Ze mogen het houden.

Voor het eerst wordt ieders paspoort gecontroleerd. We hebben een plekje aan het raam. Kunnen we nog een keer dit mooie land (de bergen, rivieren en natuurparken) vanuit de lucht bewonderen, totdat het bewolkt wordt tenminste. Er wordt een stokbroodje kaas geserveerd en aan het einde, zoals we inmiddels gewend zijn, het snoepje in een vrolijk gekleurd papiertje. Ik bewaar mijn broodje voor later, we hebben het ontbijt net achter onze kiezen.

Om 11.30 uur landen we in Tana, waar het halfbewolkt is, maar wel warmer dan de vorige keer dat we er waren. Aldaar worden we opgewacht door iemand van het agentschap, en naar het hotel vervoerd. We zouden in ieder geval één kamer krijgen om onze bagage neer te kunnen leggen en ons desgewenst op te frissen en krijgen er wel 4. Dat is een meevaller. Deze is echter van korte duur, de hoteldame heeft zich vergist en krijgt van Haley op haar donder. Er komt nog een andere groep, een Duitse. Die hebben we eerder gezien, we herkennen Vader Abraham. Onze bagage wordt in een donker hok gelegd.

We maken een selectie van wat we mee willen nemen de stad in. Volgens onze reisgids is Tana ontzettend crimineel en is het niet verstandig spullen mee te nemen die enigszins waardevol zijn of waar je aan gehecht bent (of een combinatie van de 2). Iedereen heeft er zin in (echt niet!), net terug van een mooi eiland en dan nog de hele dag in een grote stad moeten wandelen. Helaas, het is niet anders. Onze vlucht naar Amsterdam vertrekt pas vannacht om 00.45 uur en de hele dag voor het hotel zitten, is ook geen optie. We spreken met de chauffeurs van de taxibusjes af dat we om 20.00 uur worden opgehaald. Lijkt ons meer dan lang genoeg.

We worden afgezet bij het station in het laaggelegen deel van de stad. Vanaf hier volgen we de Avenue de l’Independance. In deze straat veel winkels, restaurants en hotels. Omdat we met 18 man zijn, trekken we de aandacht van het volledige bedelaarsgilde. Van alle kanten komen zielig uitziende vrouwen en kinderen om ons om geld vragen. Er is geen beginnen aan, het zijn er gewoon te veel. We lopen in hoog tempo door tot aan de trappen, die leiden naar de “upper town”. Aan weerszijden van de trap zitten veel souvenirverkopers, waaronder van stempels in alle soorten en maten, met typische plaatjes uit Madagaskar, zoals daar zijn lemuren en baobabs. We lopen er nu langs, we willen eerst wat gaan eten. De sfeer hierboven is een stuk prettiger, er is zelfs een aardig parkje met bloeiende jaccarinda.

Frank heeft aangeraden naar Hotel Colbert te gaan, waar een restaurant zit (met dresscode, daar komen we echt niet in) en een bakkerij, die veel toeristen en expats trekt. Hier raken we een deel van ons groepje kwijt, die de gedachte aan de lekker broodje of gebakje niet kunnen weerstaan. Samen met Iet en Gretty gaan we op zoek naar een restaurant waar ze soep hebben en komen we uit bij Nerone, een Italiaans restaurant met minestronesoep op het menu. Het is een gezellig ingericht restaurant waar buiten ons slechts 1 tafeltje bezet is. Na de lunch zijn we zijn klaar om serieus te gaan shoppen.

We volgen de route die in de Bradt beschreven staat en die ons langs leuke winkeltjes en galerijtjes moet brengen. Dat klopt, we gaan winkel in en winkel uit en brassen onze laatste ariary op. Ron amuseert zich kostelijk, hij houdt toch al zo van winkelen en dat met 3 vrouwen… De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het hier, qua grote stad, helemaal niet onplezierig is en de tijd gaat sneller dan we verwacht hadden.

We doen inkopen bij de Shoprite en buiten stoppen we de boodschappen vlug in een andere plastic zak, omdat de een na de ander onze chocola op wil eisen. We eindigen onze winkelexpeditie bij de trappen, waar we nog een paar laatste aankopen doen. Terwijl ik onderhandel, staat Ron achter me en let op mijn rugzak (het is namelijk wel erg druk).

We kijken nog in een boekwinkel en gaan dan – alweer – eten. Je moet toch wat doen om de tijd door te komen. Het restaurant dat ons is aangeraden, Sakamanga, is pas om 18.30 uur open, dus daar gokken we het maar niet op. We blijven in Italiaanse sferen en belanden opnieuw bij een Italiaan, maar dan van het minder luxe type, eigenlijk meer een afhaalpizzeria.

Doordat we nu goedkoop eten, blijven we nog met ariary zitten. Hè wat vervelend. Toch nog maar even terug naar de Maki Shop, een stukje verderop in de straat. Gretty en Iet gaan mee, Ron wordt in het internetcafé achtergelaten met al onze bagage. Helaas, het loopt tegen zevenen en de meeste winkels zijn dicht. Teleurgesteld gaan we terug naar de Pizza Express, waar ook de dames de tijd verdrijven met internet, terwijl ik een stukje verslag schrijf. Om 20.00 uur worden we opgehaald, eigenlijk hebben we ons, geheel tegen de verwachtingen in, best geamuseerd vandaag. Bij de parkeerplaats staan een paar slimme jongens met verschillende instrumenten. Ze hebben succes, bijna iedereen heeft nog geld over.

We mogen de badkamer in het huis tegenover het hotel gebruiken. Daar wassen we onze handen, gooien een klets koud water in ons gezicht, gebruiken royaal deodorant en trekken schone kleren aan. Daar moeten we het mee doen totdat we thuis zijn. De Duitsers hebben het erg gezellig, maar toch hebben we weinig behoefte in de feestvreugde te delen. We kunnen hier eigenlijk ook niets meer doen en laten ons naar het vliegveld rijden, misschien dat we dan nog goede plaatsen in hebben. Iets na negenen komen we aan. We krijgen inderdaad een windowseat (ik dan tenminste). Bij een winkel met veel te hoge prijzen investeren we de laatste ariary in cola en snickers. Volgens de eigenaar van de winkel is dit de laatste gelegenheid van je geld af te komen. Achter de douane zou je enkel met euro’s kunnen betalen. Dat is natuurlijk niet waar, maar weten wij veel.

Voorbij de douane begint het lange wachten. Op het bord wordt aangekondigd dat de vlucht vertraagd is. Daarna volgt de mededeling dat de server plat ligt en daardoor niet meer ingecheckt kan worden. Balen, voor ons, maar zeker ook voor de mensen die nog in de rij staan. Dat duurt ruim een uur. De lol van op een stoel zitten en in het donker staren, is er voor ons dan ook al lang af. Er zijn wel winkels, maar daar zijn we ook zo uitgekeken. Bovendien is het geld nu echt op en we zijn gewoon moe. Tegen 1.00 uur wordt omgeroepen dat we kunnen boarden. Onze handbagage wordt gecontroleerd en wij worden gescand.

Om 1.50 uur richt de gezagvoerder het woord tot ons: we wachten nog op 10 passagiers en dan zullen we opstijgen. We geloven er inmiddels niets meer van. Ik ben het zat, neem een slaappil en krijg van de eerstkomende uren niets meer mee. Niet van het opstijgen, niet van Ron die mijn stoel achterover zet, niet van het eten dat wordt rondgebracht… Als ik wakker wordt, zit al een belangrijk deel van de vliegreis erop. Ik dut nog een beetje verder, kijk een stukje film en we krijgen ontbijt. Doordat we te laat vertrokken zijn, missen we onze aansluiting in Parijs.

We hebben samen met Henk de laatste bus omdat we achterin het vliegtuig zitten en raken daarbij de rest van de groep kwijt. Bij de gate waar onze vlucht zou vertrekken, werpt een grondstewardess een blik op onze boarding cards en merkt intelligent op: “oh, you missed your flight”. Alsof we dat zelf nog niet doorhadden. We moeten in een lange rij aansluiten met allemaal mensen erin die ook hun vlucht hebben gemist. Als we eindelijk aan de beurt zijn, kan de stewardess eerst mijn naam niet vinden en, als dat gelukt is, kan ze geen boarding passes meer geven, omdat de gate inmiddels geopend is. Gaan we toch gewoon nog een keer in de rij staan!

Boven treffen we de rest van de reisgenoten, die al lekker op een terras zitten. Ook de vlucht van kwart voor 4 heeft vertraging.

De vlucht verloopt snel en soepel. We proberen het vakantiegevoel nog even vast te houden en pakken geen krant aan. Pas tegen half 6 staan we op Nederlandse bodem. Eindelijk. Murphy slaat toe, mijn bagage is er, nu ontbreekt die van Ron. Hoe krijgen ze het voor elkaar. Omdat ook niet bekend is waar de rugzak zich op dat moment bevindt, moet er een rapport opgemaakt worden, in een ander kantoortje natuurlijk. Daardoor is Ron pas om 18.30 uur door de douane.

We worden keurig naar huis gereden en kunnen de eerste vakantieverhalen kwijt. Het was weer helemaal geweldig, jammer dat ik af en toe zo ziek ben geweest. Thuisgekomen begroeten we onze konijntjes, halen friet, gaan in bad (daar hadden we nu net zin in) en meteen daarna naar bed. De was en de post komen morgen wel. Nu weer even wat geld verdienen en dan hopelijk over 5 maanden naar Birma. Dat klinkt nu al aanlokkelijk…